
Tijdens de sportles denk ik na over stilzitten: rechtop. Niet mediteren, dat niet. Hoewel de overeenkomst met zen- en stiltetuinen me onmiddellijk te binnen schiet. Nee, gewoon stilzitten, rechte rug, naast het water bijvoorbeeld en kijken, luisteren – naar de bamboe waterwip die klokkende geluiden maakt, naar de hardstenen waterplaats en het betonnen Boeddhabeeld, om de gedachte aan zen-tuinen voort te zetten – kijken, luisteren en wellicht ook een beetje voelen: verplaats je aandacht naar je lichaam en je huid.
Een bij zoemt. Ik tel de schrijvertjes op hoge poten: één, twee, drie, vier en meer op het op het zwarte water van de plas. Milde, wat lichtere kringen als één van de vele vissen van onder water met z’n kop tegen het oppervlak stuit, misschien een luchtbel. Plop. Het water is donker en zwart. Een enorme libelle met een groen lijf zoekt een plek op een overhangende riethalm. Blad. Een soort gras. Het is jammer dat het water laag staat en het eilandje links, veel groter is dan ooit. Daardoor is de plek waar de ringslang vaak lag nu begroeid. Je ziet de dikke, traag gebogen, witte wortelstokken onder het naar boven wijzende groen, overal en de stammetjes van de berk en de wilg. Bomen die ooit gekapt zijn en nu als struiken vol lange buigzame takken verder groeien. De ringslang, een volwassen exemplaar van circa anderhalve meter is er niet. Geen plek meer. Geen zon. Wel kikkers die stil van de rand in het water plonsen.
In de tuin achter de bomen wordt gewerkt. Daar staat het huis van de buurman. Je hoort machines, soms twee honden. Ik weet dat het er twee zijn, maar ik zie ze niet, wil ze niet zien. Ze blaffen en ze bijten. Tussen de dichte struiken zie ik een lichte plek, groen gras. Daar, achter de struiken en de greppel vol tuinafval en de humusberg, bevindt zich een leegte. Daar wordt gewerkt in de open lucht, onder de blauwe hemel en de wolken. Ik hoor een machine. Ik hoor gekraak. Het blauw is verdwenen de lucht is nu helder wit. Geen zon. Geen wolken. Wel helder. Heel licht en soms bewegen de takken van de struiken. Wiegend op een windvlaag, met trage en snelle schokken als de vogels die zich er schuil houden hun nest verlaten of met voedsel in hun bek terug komen. Merels, mezen, winterkoning. Roofvogels ook.
Het aardige van stilzitten is dat je ervaart dat alles om je heen beweegt. De bij zoemt en vliegt een route, maakt een tekening in de lucht. De schrijvertjes doen waar ze voor gemaakt zijn en schrijven stille woorden op het wateroppervlak; kleine ronde tekeningen, mogelijk lettertjes, misschien wel hun naam. De witte vlinders op de stengels van het lage gras vliegen op als het even warmer is. Het zijn kleine insecten, niet fotogeniek, wel vlot en onopvallend als motten in een donkere klerenkast. De vlieg met bruine en zwarte strepen op het dikke lijf loopt over het hout van het hekje en maakt er een paadje totdat ze opvliegt en verdwijnt in het groen van de achtergrond. De aarde draait. Het licht verandert. Eerst in de zon, dan in de schaduw. Dat merk je amper als je loopt.
De horizon in cadans. Het knarsen van bodem en grind op het ritme van je passen. Als je stilzit hoor je al dat andere, merk je het langzame draaien op, van de aarde en de zon. De bladeren die ritselen, de tak die kraakt. Het dak van het huisje dat als het hout opwarmt uitzet, dan weer krimpt. De lichte geur van water en gras, een beetje verrotting hier en daar. Niets aan de hand. Al dat andere dat dood is of leeft, verweert is of beweegt, rondvliegt en kruipt, en eet, en gegeten wordt, en vrijt en eieren legt die moeten worden uitgebroed en zich ontwikkelen, eieren, nest, larve en pop en het beest dat dan uitvliegt en bevrucht, een ander tegenkomt, paart en vecht en uitrust. De larve op de tak. De larve in de boom, rot hou en sapstromen en schimmels en vraat. De rups op het blad. De steen die schaduw biedt en veiligheid en vochtigheid, het juiste klimaat voor zwammen. Het zand waar je je doorheen beweegt, dat door je darmkanaal gaat en aarde wordt. Je zit in de zon.
Nu zit je in de schaduw en alles trekt langzaam en soms snel, heel snel aan je voorbij. De wolken en de wind. De regen. Dan is het droog. Als je stilzit wordt het tempo aangeven door dat dat wél beweegt. Het papier dat naast de prullenbak ligt. De blikjes, flesjes, bakjes, oude tissues en kranten. De drukinkt, de plastics, de suiker, het vet, de etensresten, een klokhuis, een stengel, een stukje kaas. De vogel die over het water aangevlogen komt om te zoeken naar patat. Dat er niets ligt, ziet het beest snel, een korte snavelpik en het is duidelijk: geen patat, geen mayonaise of koek of broodkruimels, alleen wat rood-wit geblokt vetvrij papier. Dan volgt het kekke waterhoen. Je weet maar nooit, waar kraaien zijn en meeuwen is voer. Of niet. Voorzichtig pikt de waterkip met zijn fijne rode snuit tegen het papiertje. Het kijkt je even aan voordat het op de hoge gele poten met lange wijd gespreide tenen wegwandelt. De autoweg die achter de bomenhaag ligt hoor je bijna niet. Hooguit een dof geruis, dan een sirene die luider wordt als de auto over de brug rijdt. Luid. Dichtbij. Voor je langs loopt een paar met de fiets aan de hand, een hij en een zij, een kind in het stoeltje. Zij knikt. Jij knikt terug en glimlacht. Achter je rijdt een mens op een scooter. Het vuil in het park is onderhavig aan dezelfde kleine chaos en dezelfde meervoudige orde en levens als die van gras en bomen en insecten. De het meisje met de blote buik, de grijze broek en gymschoenen. Achter de bomenrij rijst een hoge flat op. Het zijn er zeven. Zeven flats, allen even hoog en breed.
Dan hoor je je hart. Het klopt. Je luistert naar je bloedsomloop. Buiten voor het raam kijk je naar de struiken op de binnenplaats. Er staat een vijgenboom. Er kruipen takken van de passiebloem omhoog en omlaag. Er loopt een kat. Er spelen kinderen.
De sportklas is nog niet voorbij. De juf geeft aan dat jullie nu op handen en voeten moeten zitten. Rechter been naar achteren. Linker arm naar voren. En leg de rechterhand maar op je rechter dij. Anders is het veel te makkelijk.
—
Ik schrijf van de weeromstuit over stilzitten en kijken. Zo veel en zo vaak wordt er inmiddels over wandelen geschreven. De schotse antropoloog Tim Ingold denkt in bewegingen en lijnen. (Hij dacht ook over wandelen na.) Vanwege die nadruk op beweging bestaan er in zijn beleving op de kruispunten van twee lijnen geen vaste plekken. Al ontmoeten de lijnen elkaar, en de wezens die de lijnen of tekeningen maken, al is er sprak van woonplaatsen en ‘hubs’, het legt niets vast. Alles beweegt en komt samen en gaat onmiddellijk weer uiteen. Het snijpunt van twee lijnen is geen plek maar een moment, twee of meerdere routes die elkaar voor één moment kruisen. Niemand zit ooit stil.
Op de radio wordt over de vloek van het zitten gesproken. Het zitten, dat volgens sommigen het-nieuwe-roken is. Een jonge filosofe denkt na over het verschijnsel ‘tijd’. Toch vreemd, zegt zij, dat mensen zo vaak in termen van ‘het einde der tijden’ denken, terwijl alles daarna toch gewoon doorgaat. Het is iets menselijks, iet van alle tijden. Ze kunnen waarschijnlijk niet accepteren dat ze zomaar, zonder reden in de wereld geworpen zijn en er geen begrijpelijk begin of zinvol einde is. Het einde der tijden, en alles gaat door. Is er sprake van een nieuw begin, zoals sommige religies beweren? Is het leven circulair, zoals anderen zeggen?
Na al dat wandelen schrijf ik van de weeromstuit over stilzitten en observeren. Ik denk na over de schrijfmethoden van Georges Perec. Zijn liefde voor structuren en de manier waarop hij in zijn radioperformances, zijn filmscenario’s en romans in elkaar zet: visuele schema’s voor ogen zoals een muziekstuk vol contrapunten. In zeker opzicht berust zijn werk op slim verzamelen en monteren. Dat leidt tot een vreemd en fundamenteel besef: Perec lijkt zich ervan bewust dat alles er altijd al is.
Alles is er al. De dingen, de woorden, de zinnen, clichés, de huizen, de muren, de meubels, het landschap met alles erin. De woorden met alleen maar e’s, de vele woorden zonder. Alles is er al. Je verzamelt het en maakt er iets mee. Je combineert, je orkestreert, je stelt samen, je ordent, zoekt een contrapunt. Het contrapunt ontstaat vanzelf. Het leven is een polyfonie. Het is niet enkelvoudig nooit. Je monteert. Je componeert. Je zoekt naar dissonanten. Het vreemde besef dat alles er al is, is in aanzet cynisch (J. noemt het, als ik er met hem over spreek wanhopig makend), want als alles er al is, wat ben jij dan? Wie ben jij? Degene die samenstelt, ordent en betekenis geeft. Wat maakt dat jij bent wie je bent? Ik denk dat je de fascinatie van Perec voor herinneren en herinneringen ook tegen deze achtergrond kan bekijken. Jij herinnert je iets of iemand, zonder jou bestaat diegene of dat gene niet. Dat besef is niet zozeer cynisch, dat besef is wreed. Het gemis van zijn ouders is dus niet zomaar een gemis: alles bestaat al, en hun niet-bestaan is een gat in dat alles, een niets.

