46. Rien Monshouwer

Dag Saskia,

nu maar eens een verhaal over handen en schrijven. Maar, ook over handen die als ivoren kunstwerken in een etalage liggen te wachten op de dingen die komen gaan.

liefs, Rien

Zal ik woorden op papier zetten? Of zal ik mijn handen, die muisstil voor mij op tafel liggen, met rust laten? Zal ik mijn rechterhand, mijn schrijfhand, laten waar die ligt? Ik kijk naar die handen. Ken ik ze, die handen?  Dag handen, jullie weten misschien niet wie ik ben; maar ik ben het stel ogen dat naar jullie kijkt. Ik houd mijn adem in, om jullie niet te storen. Jullie liggen daar niet voor niets zo muisstil, vermoed ik. Jullie willen met rust gelaten worden, dat is duidelijk. Maar, dat is lastig, jullie liggen daar immers levensgroot, naast elkaar, met de vingers gesloten op de keukentafel. Jullie liggen daar als twee kostbaarheden, uitgestald in een etalage, als twee fraai gesneden ivoren handen, klaar om met belangstelling ter hand genomen te worden.

Zal ik woorden op papier zetten? Of, laat ik ze eerst nog wat ronddwalen ergens in dat lichaam van mij tot ze ‘gerijpt’ zijn. Wat dat ook betekenen moge, dat ‘gerijpt’ zijn. Hoe spoor ik die woorden op die door mijn lichaam dwalen, sommige op bekende, anderen op niet begaande paden. Kan ik ze terugvinden? Zijn ze nog te traceren? Zijn ze wellicht voorgoed verdwenen? Zij, die op bekende wegen aan de wandel zijn, zij zullen wel weer opduiken, stel ik mij zo voor. Maar die anderen? Die anderen, die zich gehecht hebben aan vlees dat mij nog onbekend is, hoe vind ik die terug? Wáár moet ik die zoeken?

Zullen die handen, die daar nu zo stil op tafel liggen, zich gaan roeren? Zal de rechterhand, zoals ik al zei, de schrijfhand van de twee, een zekere onrust gaan ervaren en de drang in zich voelen opkomen om te gaan schrijven? Schrijven over een hand die niet kan wachten om te gaan schrijven. Dat stilliggen is niets voor hem. Hij houdt er niet van om bewonderd te worden als een kleinood, als een wonder van vormgegeving. Dat laat hij graag over aan zijn ivoren soortgenoten, die ergens in een etalage liggen te pronken. Kunstig gemaakt, dat wel, maar hij voelt dat de onrust zijn vingers steeds meer doet bewegen, een oefening, een eerste aanzet tot schrijven.

2

Er wordt in de lucht geschreven. De woorden vormen fraaie krullen in het luchtledige. De duim en de wijsvinger, aan elkaar gevouwen tot ovaal, schrijven golven in de lucht. Schrijven een zee. Een rustige, zacht deinende zee, een kabbelende grote vlakte blauw/groen/grijs water. Geen groot schudden van het water zichtbaar. Geen onverhoedse golf. Maar, dat moet je niet vertrouwen bij zeeën en oceanen, het gevaar ligt onder water. Onder dat rimpelloze water ligt een onpeilbare diepte. Zo diep als de leegte die een schrijver ervaart terwijl het verhaal haar vorm zoekt. De angst die de schrijver heeft dat het verhaal in een tomeloze diepte ten onder zal gaan, zonder dat duidelijk wordt waar het verhaal over gaat.

Het schrijven heeft een aanvang genomen. De letters verschijnen op het niet al te grote scherm. Het schrijven maakt bijna geen lawaai, het beweegt zich als op kousenvoeten op een af en toe krakende, houten parketvloer. Wanneer die vloer kraakt klinkt dat als een schot, plotseling afgevuurd vanuit een donkere steeg. Het hoofdpersonage, die we net hebben leren kennen, loopt vrolijk op straat en neuriet een lied dat wij de toeschouwers wel kennen. Dan, bij een hoek, valt ze plotseling voorover, naar haar lichaam grijpend. Ze valt hard op de grond, en blijft daar vreemd gekromd liggen.
Een crime passionel?

De film voltrekt zich als een achteruitlopende krab, zij loopt terug de tijd in. We volgen de nog relatief jonge vrouw terug haar jeugd in, waar ze op een boerderij bij haar tante en oom woonde, samen met haar nicht en neef. Haar jeugd was op het platteland, tussen de dieren, niet in deze sompige, treurige stad, waar je kans loopt op een ellendige manier aan je einde te komen.

Dan is de film voorbij, en komt er die wisseling van perspectief, misschien wel een wisseling van gevoel.
De oude schrijfster, die nu ten tonele gevoerd wordt, schrijft nog met een vulpen, op papier. Aan die vulpen is ze zeer gehecht, die pen is in de loop der jaren vergroeid met haar hand, verknocht aan haar vingers. Wat zou ze zijn zonder die pen? Wie zou ze zijn zonder die pen? Ze heeft die pen van hem gekregen, hij die er al lang niet meer is, maar die er eigenlijk altijd is. Ze voelt nog vaak zijn warmte. Héél even maar, maar toch. Een siddering gaat door haar heen. Haar kleindochter doet af en toe een poging haar op een beeldscherm te laten werken. Dat weigert ze, niet bruusk, maar zonder aarzelen. ‘Maar, dat is zoveel handiger, oma, en het kost geen papier, daar bent U toch wel gevoelig voor?’ Als ze haar kleindochter aankijkt, en ze weet op welke manier ze dat moet doen, dan houdt die kleine schat
op met haar poging. Ze pakt haar vel papier en kraakt die tot een prop. ‘Zo wordt het niets’, horen we haar mompelen, ‘morgen opnieuw.’

De volgende morgen is er van schrijven, en schrijvers, geen sprake. Slechts van lamlendigheid. Het lichaam, waar we het hier over hebben, wil niets liever dan in bed blijven. De handen, de handen waarmee we al kennis gemaakt hebben, en die vaak popelen om met schrijven te beginnen, willen nu, als zieke kinderen, door de warmte van het dekbed gekoesterd worden, en blijven onder het dekbed verborgen. De ogen, die zo graag kijken, blijven gesloten. De woorden en de dingen zijn weggekropen. Zij komen niet uit hun grot.

Den Haag 15 mei 2024


Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?

top of page