Geen willekeur, maar een onnavolgbaar patroon zoals de guirlandes die de slakken maken op het matje bij de tuindeur.
Zomertijd

Het niet vanzelfsprekend om te verwoorden waarom je iets aantrekkelijk (mooi of belangrijk) vindt. Het is wel de moeite waard om het te proberen woorden te vinden voor werk waarvan je onder de indruk bent, dat je raakt, waarmee je wellicht een verwantschap ervaart. Werk, waar je zo van onder de indruk bent dat je er langer bij stilstaat, dat je opslaat in je geheugen en toevoegt aan de imaginaire lijst van werken die je je voor de geest haalt wanneer je vergelijkt. Werk dus, waar je wel een aan denkt en wellicht ‘blij’ van wordt. Ik schreef aanvankelijk ‘vrolijk’, maar dat is zeker niet het juiste woord. ‘Blij’ is beter omdat dit dwaze gevoel het meest tegemoet komt aan de warme gloed in je buik bij het zien van zo’n werk. ‘Blij’, ook als de ‘ware’ betekenis van het werk onaangenaam is of droevig of cynisch of sarcastisch. Het hoort er bij, dit contrast. Wrijving (weerstand) is onmisbaar. [1]
De vraag of iets mooi is en waarom is geen academische vraag. Het heeft wat mij betreft niks met de canon te maken en ook niet met zoiets als een ‘persoonlijke canon’. De lijst waaraan ik me voorstel is namelijk niet stabiel, ze verandert voortdurend, vooral in het licht van de situatie waarin ik nieuw werk tegenkom. Ze verandert met tijd en context, soms vanzelf, soms moet ik er iets voor doen, zoals actief op zoek gaan naar de kwaliteit. Dan laat ik mijn gedachten de vrije loop en maak ik een slakkenpaadje, een guirlande op het matje bij de tuindeur in de hoop dat de woorden komen en ik een beeld kan schetsen met hulp van dat inhalige, mysterieuze, gulle en creatieve zintuig waarmee je kunst waarneemt, hoort, ruikt, voelt en ziet.
10161055 luidt de titel van de tentoonstelling die de aanleiding was voor de bovenstaande gedachte. Twee galeries, Ellen de Bruine Projects en Diez gallery, presenteren ieder drie kunstenaars, respectievelijk Maria Pask, Laëtitia Badau Haussmann en Simnikiwe Buhlungu, en Sands Murray-Wassink, Ian Waelder en Jessica Wilson. Ondanks meerdere zeer succesvolle beurspresentaties kende ik Diez niet en het kost even tijd om me in de tentoonstelling te oriënteren. Bij een eerste rondgang valt vooral het werk van Ian Waelder op. Het is klein en eenvoudig maar heeft een grote impact; Ik zie een krantenfoto met iemand in het pak van koekiemonster achter een plaatje glas. Daartussen bevinden zich enkele kruimels van iets dat op chips lijkt: een verloren moment werd achter glas gevangen.
De expositie opent met een kunstenaarsgesprek. Dat was het evenement waar ik op af was gekomen. Maria Pask spreekt met een goede vriend, Sands Murray-Wassink en omdat ik al lang niets meer van Pask heb gezien, besluit ik om te komen luisteren. Het is heet als ik binnenkom en de twee kunstenaars zijn al in gesprek, toch weet ik een context te bouwen: Pask en Murray-Wassink ontmoetten elkaar op De Ateliers en hielden vervolgens vele jaren als vrienden contact. Tijdens de telefoongesprekken die zij met regelmaat voeren, spreken zij over hun ideeën en werk.

Ik luister met op de achtergrond twee grote werken, één van Pask – een uilensculptuur – en één van Murray-Wassink, een verftekening van een slank, lichtblauw paard dat een fijne draai maakt met de heupen. Het paard draagt een damestasje vol goede smaak en wordt door een aura van tekst omgeven: ‘institutions are questionable’, ‘What am I doing here?’, ‘Who has taste?’. Het is een werk uit 2018 dat op de een of de andere manier goed past bij de kleurrijke uil, een uitvergroot cadeautje, vertelt Pask, een glanzende kerstbal: Ik ben er van overtuigd dat het ding de ziel bevat van de gever.
De uil maakt me blij, doet een stille glimlach verschijnen als haar in het kader van de installaties en performances van de kunstenaar plaats. Werken als evenementen, groepsactiviteiten misschien, die een handreiking zijn aan studenten, bezoekers, ouderen en andere doelgroepen. De ideeën en werken van Pask zijn kleurrijk en een beetje vreemd, verwant aan die van moderne mystici en wereldverbeteraars. Enthousiast vertelt ze na afloop van het officiële gedeelte over een veganistische spraakcursus die ze volgde waarin een etiquette op het gebied van dieren en taal onderwezen wordt. Maar, vooral het werk van Murray-Wassink bevalt me. Het is nieuw voor mij. Het raakt me en roept vragen op.
Ik luister naar de vragen van Pask die een rijtje gespreksonderwerpen presenteert, roddels en familiare zaken, gesprekken over het lichaam, lichaamsfuncties, -openingen, -sappen en ziekte. Murray-Wassink reageert. Hij luistert en beaamt. Zouden we onze kunst niet minder moeten redigeren? Vaker ook de spontaniteit en fouten laten zien, zegt hij? Er wordt bevestigend gelachen. Mijn kunst is noodzakelijk, maar niet perse ‘groots’. Ik zou mijn werk nooit zomaar naast werk van Michelangelo plaatsen, of naast dat van de kunstenaars uit de Klassieken laten zien. Ik luister en mijn bewondering groeit. Murray-Wassink is een volhouder. Hij maakt al jaren werk, zonder in het centrum van de aandacht te staan. Ik bewonder zijn werk en zijn ‘houding’, hoewel ik dat versleten woord niet graag gebruik. Het maakt echter wel duidelijk dat hij evenals Pask soeverein is en in de wereld van kunst autonoom functioneert.

Het is die soevereiniteit, dat verlangen naar vrijheid dat me treft. Ik denk dat dát het ingrediënt is waar ik op afga, deze keer. De vrijheid nemen om je zo te uiten, zo te bewegen zoals zelf wilt. Dat hij deze vrijheid koppelt aan feminisme en kunst, maakt het alleen maar aantrekkelijker. Op zijn website heeft hij een lange en onvolledige lijst van feministische kunstenaars geplaatst. En ik probeer na te denken over mijzelf, waarom grijpt zijn werk me zo aan? Misschien omdat in zijn geval het feminisme geen matrix is, geen utopie of voorbeeld van wat of hoe de wereld moet zijn. Feminisme is een middel om dát te kunnen doen wat je werkelijk wil. Het is geen matrix voor maatschappij, gender of seksualiteit, maar een principe waar je moed uit put om de wereld vorm te geven in weerwil van patriarchaal, pikstaanderig gedrag. Geen voorbeeld dus, van hoe je eruit moet zien, met wie je moet vrijen en wat je moet doen, maar vrijheid. De vrijheid om hypervrouwelijk te zijn of niet, kinderen te nemen of niet, je relaties vorm te geven. De vrijheid om je eigen voorbeelden te kiezen, Ingeborg Bachmann, Clarice Lispector, Jane Bowles. En dat is wat ik in het werk van Murray-Wassink herken, niet het levenspatroon of de voorkeuren, maar de levensmoed. Zin en kracht om het zo te doen, als je goeddunkt, ook als je daarmee niet meteen populair wordt of beroemd, ook als je wellicht op de achtergrond regelmatig angstig bent of depressief.
Dat laatste, die populariteit of beroemdheid, is een toespeling op zijn visie en positie in de wereld van de kunst, waar Murray-Wassink zich jarenlang staande houdt te midden van een grote groep vrienden. Daar ontwikkelt hij zijn werk: performances met een zekere noodzaak, foto’s op internet, tekeningen, het zijn vluchtige gedachten, een bewijs van zijn bestaan waarbij ik moest denken aan Alfred Jarry die aan het einde van de 19e eeuw zijn wonderlijke boeken schreef en vreemde leven leidde (hij had een fiets en naar ‘t schijnt een halve woning waarin ook een uil gehuisvest was). Allistair Brotchie zijn Engelse biograaf rekent ergens uit hoeveel Parijzenaren de legendarische poppenvoorstelling Ubu Roi hebben gezien: het zijn er hooguit negentig. [2]
Het gesprek tussen de kunstenaars gaat nog even door. Ik maak een rondje en bekijk de expositie. Ik kijk naar de werken, denk vluchtigheid, denk vriendschap, denk levensmoed. Feminisme, Lhbtqia+ en anti-racisme zijn – als het goed is – niet zomaar labels, zij bieden meer dan een schuilplaats en een aanknopingspunt voor identificatie. Queer zijn is een persoonlijk verzet, het begin van een eigen gemeenschap. Ik denk aan David Hammons, zoals hij zorgvuldig plekken kiest om zijn werk te laten rijpen. Ik denk aan Derek Jarman, zijn films en levenslust. Ik denk aan Ansuya Blom, haar mededogen en scherpzinnigheid. Murray-Wassink gevoelig en neurodivers (bipolair) en onzeker lijkt iets dergelijks te doen. Misschien is er ook sprake van wanhoop, toch ga ik gelukkig naar huis. Van zoveel moed en persoonlijkheid word ik blij.
[1] Jeroen Mettes, weerstandsbeleid, nieuwe kritiek, Wereldbibliotheek, 2011. Het boek is een verzameling van de blog die Mettes bijhield tot 2006. Hij geeft prachtige poëzie-analyses. Ritme is een centraal begrip, het ontstaat als mensen hun wereld peilen, en de buitenkant van de dingen weerstand biedt.
[2] Allistar Brochie, Alfred Jarry, ein patafysisches Leben, Piet Meyer Verlag, 2014 (Bern/Wien), vertaling uit het Frans en Engels, Yvonne Badal
10161055, Maria Pask, Laëtitia Badau Haussmann, Simnikiwe Buhlungu, Sands Murray-Wassink, Ian Waelder, Jessica Wilson ׀ mei 29 – augustus 1, 2026׀ Ellen de Bruijne Projects


