Dag Saskia,
een verhaal van begin van dit jaar. Het gaat over relatief ouwe tijden, toen mijn kunstenaarschap nog relatief jong was.
Deze tijd, of een andere tijd?
Is iedere tijd een goede tijd? Of bestaat er niet zoiets als ‘een goede tijd’. Kan je in ‘de verkeerde tijd’ ter wereld komen? Of, zijn dit ‘nonsense’woorden? Oké, je kunt ergens de tijd voor nemen, maar kan je je ook voorstellen dat De Tijd tijd voor jou neemt? ‘Woordspelletjes’, hoor ik zijn vrouw ironisch zeggen. ‘Ja, daar is hij goed in’, maar aan woorden betekenis geven, werkelijk betekenis geven, dat is een andere zaak. Een rotsachtige bodem vinden om het huis stevigheid te bezorgen, is nooit zijn sterkste kant geweest.’
U weet, beste lezer, dat woorden vleugels kunnen krijgen. In historisch perspectief bekeken, zijn er zelfs gevleugelde woorden ontstaan. Sommige daarvan zijn op tegeltjes beland, en bij de verdeling van de erfenis in de afvalzak belandt, bijvoorbeeld die met de woorden: zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Niemand interesse? Hup, weg ermee!
Ik lees het boek van Julia Schoch (Mecklenburg 1974) ‘Het liefdespaar van de eeuw’. In de pers vaak samen genoemd, en vergeleken, met het boek ‘Kairos’ van Jenny Erpenbeck (Oost-Berlijn 1967), beide geboren in de voormalige DDR. Beide liefdesgeschiedenissen, maar, totaal verschillend. Bij Erpenbeck krijgen we een inkijk in haar relatie met een veel oudere man, en werpen we een kritische blik op het functioneren van de DDR als staat, tot en met haar ondergang als natie. Bij Schoch gaan we terug in de tijd. Haar tijd. Het verloop van een liefde wordt beschreven. Dat levert een ander soort beschrijving op van het land waarin haar liefdesgeschiedenis zich afspeelt. De vorm van een afscheid, ‘Ik ga bij je weg’, zo wordt het aangekondigd op de eerste pagina. Hoe dat afscheid vorm krijgt is het onderwerp van deze roman. Samen levert dat een brede blik op ‘het landschap’ van de kortlevende DDR staat (1949-1990). Een fascinerende blik op een ‘samen’geperste, ingeblikte tijd. Een blik ook op ‘de beleving’ van die tijd, de ene beschrijving biedt een breed perspectief op hoe het land functioneert, en hoe de bewoners daarin meegesleurd worden. De andere ‘blik’ is vooral een reis naar binnen, de maatschappij treedt naar de achtergrond, het innerlijk leven van twee individuen en hun twee kinderen, worden feitelijk beschreven, hun individualiteit doet niet ter zake, ieder is een stuk in een complex schaakspel.
2
Op de Documenta 7 die Rudi Fuchs in 1982 organiseerde, zag ik voor het eerst schilderijen van kunstenaars die (op dat moment) in de DDR woonden. Ik kende ze niet, maar hun werk verduidelijkte de posities van anderen die ik al wel kende, zoals die van in de DDR geboren, kunstenaars Georg Baselitz, Penck (Ralph Winkler) of Gerhard Richter. In ieder geval maakte ik, daar op die Documenta, kennis met de schilderijen van de grote gevierde DDR kunstenaars Bernhard Heisig (1925-2011), Willie Sitte (1021-2013), Werner Tübke (1929-2004) en Wolfgang Matteuer (1927- 2004).
De eveneens in de DDR geboren Eugen Schönebeck (1936), in zijn jeugd bentgenoot van Georg Baselitz, leerde ik pas later kennen. Hij heeft, na jong in de DDR, en West-Duitsland bekend te zijn geworden, o.a. door het manifest dat hij samen met Baselitz schreef (pandämonium, 1961), zijn kunstenaarschap op het hoogtepunt van zijn (toenmalige) roem, aan de wilgen gehangen. Het waarom is mij niet helemaal duidelijk, maar ik vermoed een grondige afkeer van het officiéle kapitalistische kunstcircuit.
Soms, als ik in Berlijn ben, ga ik naar de Berlinische Galerie om speciaal naar een doek van Schönebeck te kijken, dat daar altijd op dezelfde plek op de eerste etage bij de vaste collectie hangt. Later, toen ik me wat meer verdiepte in de levens van kunstschilders in de DDR, ontdekte ik curieuze taboes, zoals het feit dat een weg op een schilderij niet van het doek af mocht lopen, maar naar de toeschouwer moest terugkeren. Anders drukte het een (verboden) verlangen naar vrijheid uit, en dat was niet toegestaan.
3
Nu, in 2025, lijkt het alweer een eeuwigheid geleden dat De Muur in 1989 viel, en de DDR als Staat ophield te bestaan. Op dit moment is de in Leipzig, op traditioneel schoeisel, opgeleide Nep Rauch (1960) hét schilderswonder van Duitsland. Misschien zeggen zijn boze dromen in zijn surreële schilderijen veel over wat iemand meegemaakt heeft, zoals in een land geboren zijn dat niet meer bestaat. Dat letterlijk op een dag opgedoekt is. Dat hij op persoonlijk niveau een groot drama meegemaakt heeft, hij verloor beide ouders bij een auto ongeluk toen hij een baby was, maakt het nog schrijnender. En ondanks het feit dat hij (terecht) geen verklaringen wil geven over de inhoud van zijn schilderijen, en je verzocht wordt het te doen met wat je ziet, gaat je geest onwillekeurig op zoek naar dieperliggende verklaringen voor de vreemde dingen die op zijn doeken gebeuren. Je bent immers verdwaald in een wereld waarbij de grens tussen droom en werkelijkheid flinterdun is.
Persoonlijk houd ik niet erg van zijn schilderijen, behalve dan zijn vroegere, die uit de negentiger jaren. Daar is de verhouding tussen boze surreële droom en een magische afbeelding van de werkelijkheid, uitgepakt in het voordeel van de werkelijkheid, zodat zijn verbeelding van de werkelijkheid enige realiteitszin blijft houden. Het probleem met Rauch’s kunst is dat zijn werk het risico loopt slechts beoordeelt te worden om zijn schilderkunstige virtuositeit. Zijn schilderijen zijn zonder meer razend knap gemaakt, maar dreigen slechts daarop beoordeelt te worden, zodat je voor je het weet een gewaardeerde salonschilder bent geworden. En daar is zijn kritische blik te goed voor. Zijn schilderijen zijn complex, vaak duister en tegelijkertijd glashelder. Zij roepen kunstenaars als Arnold Böcklin, Max Klinger of Alfred Kubin in gedachten. Zij tonen een werkelijkheid die zijn eigen complexiteit im frage stelt.
In de DDR was de neiging om de bevolking scherp in de gaten te houden zéér groot. De bevolking moest so wie so gecontroleerd worden. De Staat was een paranoïde Staat, en haar bevolking niet te vertrouwen. De geheime dienst zat tot over zijn oren in het werk, zoals bleek toen hun archieven zich openden. Terwijl ondertussen in de ‘vrije’ wereld de digitale controlesystemen de publieke ruimte hebben overgenomen, zozeer zelfs dat de scheiding tussen privė en openbaar nauwelijks nog te maken is, en de grote techbedrijven machtiger zijn dan ooit. Zij dicteren a.h.w. onze mogelijke definities van de Democratie.
Den Haag, 2 januari 2025

Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?
about
monshouwer editions
Saskia Monshouwer is curator en criticus.
Zij schrijft en maakt tentoonstellingen op basis van lang lopend onderzoek.
Het meest recente onderzoek heet ‘Wenden’.
Naar aanleiding van dit onderzoek worden tentoonstellingen, performances en publicaties ontwikkeld.
Alle activiteiten kunnen de start van een samenwerking met andere kunstenaars zijn.
© 2025 Monshouwer Editions

