44. Rien Monshouwer

Beste Rien,

Dank je wel voor je nieuwe tekst. Er staan wat opmerkingen in die ik zonder moeite koppel aan je werk en de uitspraken die je daarover deed tijdens onze tweede soep-middag. Ik ben begonnen aan een brief waarin ik zal uitleggen wat ik bedoel. Die plaats ik binnenkort.

Nu eerst alle ruimte voor jouw tekst,

Liefs, Saskia

De nieuwe reeks tekeningen, die ik gisteren begonnen ben, staan in een door Karin, bij boekbinden gemaakt fraai schetsboek. Ik denk erover om het boek de volgende titel mee te geven: ‘Van lijnen, straten, pleinen, bomen, standbeelden, vijvers, en gebouwen. Van dieren, mensen en onverwachte gebeurtenissen. Van dromen en fantasieën.’

Aan de eerste tekening ben ik gisteren, op 11 maart 2023, laat in de middag begonnen, net voor het nieuws van zes uur waren de contouren van een plein, en straten, die daar naar toe en vanaf lopen, zichtbaar.
Nu, zondagmorgen, net over half elf ‘s ochtends schrijf ik deze tekst. Als ik vanmiddag nog tijd vind, er staat een opening in de nieuwe vestiging van Galerie Maurits van de Laar aan de Toussaintkade gepland, ben ik van plan te beginnen de tekening van ‘een gebeurtenis’ te voorzien. Een vogel? Een drone? Een engel?  Of, misschien wel een botsing tussen vreedzame demonstranten en de politie. Kortweg, botsende belangen. Ach, wat de toekomst brengen moge………

Mocht het ooit tot publicatie van mijn teksten komen, dan rijst de vraag of ze gecombineerd moeten worden met de tekeningen zelf. Of ontstaan er dan soortgelijke problemen als toen de Engelse kunstenaar R.B.Kitaj in een catalogus zijn eigen werken van persoonlijk commentaar voorzag, in plaats dat hij dit over liet aan critici. Dat werd hem beslist niet in dank afgenomen en het leidde tot een persoonlijk drama; zijn echtgenote overleed namelijk onverwachts, en daarvan gaf Kitaj de critici met hun negatieve kritiek de schuld. Als reden noemde hij de enorme stress die de negatieve kritiek bij haar veroorzaakt had. Na deze tragedie keerde hij terug naar de V.S..

Natuurlijk is een herhaling van deze (paranoïde?) reactie niet goed denkbaar, maar ik wil maar zeggen, dat de verklaring van kunstwerken meestal niet van de maker zelf komt. Het waarom daarvan lijkt eerder een kwestie van gewoonte, dan van iets anders. Want, waarom zou een kunstenaar zijn eigen werk niet mogen uitleggen? Sluit dat soms andere opvattingen uit? Maakt dat  de schilderijen en tekeningen minder boeiend?

2.
Anderhalf jaar geleden wilde ik aan deze reeks tekeningen beginnen., maar nadat de eerste twee tekeningen ‘mislukt’ waren, heb ik het idee opgegeven. Of beter gezegd, ik heb er tijd overheen laten gaan. Dat helpt soms. Wellicht dat ik binnenkort een tweede poging kan wagen. Ik zou in de eerste (nieuwe) tekening kunnen gaan ‘dwalen’. Of, anders gezegd, ergens beginnen, en maar zien waar ik uitkom. Wat bedoel je? Als een kip zonder kop doorlopen? Tot je erbij neervalt, zeker? Ja, zo doen kippen zonder kop dat.

Nee, dat bedoel ik niet. Meer zo van, ergens beginnen en dan bij iets dat je onverhoeds tegenkomt aanhaken. Er bij stilstaan, de voordeur openen, en er naar binnen gaan, bij wijze van spreken. Het huis, waarin je belandt bent, grondig onderzoeken, kamer voor kamer, tot je in de tuin bij het prieel eindigt. Daar zit dan ongetwijfeld iemand een boek te schrijven. Een boek over haar jeugd, die zij in dat grote huis doorbracht. Dat huis waarin je iedere dag opnieuw een andere kamer betreedt, en dan blijken er evenveel vertrekken te zijn als de dagen die je erover schrijft. Als je door zou schrijven zou de laatste kamer je doodskamer zijn. Maar, zo gek ben je niet, er moet nog iets te tekenen overblijven. Want dat doet de schrijver van dit verhaal ook nog, hij maakt, naast vele andere zaken, o.a. tekeningen en schilderijen van plattegronden van huizen van geliefden en vrienden.

3.
Het boek dat ik gisteren van Karin cadeau kreeg heeft als titel: ‘plattegrond van een jeugd’ en is geschreven door Wanda Reisel (1955). Het zijn vaak korte beschrijvingen van haar ouderlijk huis de Van Eeghenstraat 100 in  Amsterdam-Zuid, waarbij de tuin aan het Vondelpark grensde. Haar dikwijls zéér korte hoofdstukken beschrijven alle kamers in dit herenhuis, en dat zijn er zestien, van het souterrain tot en met de zolder, en ook nog het plat van het dak, dat soms als zonneterras gebruikt werd. Reisel heeft er uitdrukkelijk voor gekozen de exacte plaats waar de verhalen hun grondslag aan ontlenen te vermelden, zo van: meisjes en jongens, hier en nergens anders hebben deze verhalen hun oorsprong, hier op nummer 100 ontspringt hun bron, laat dat duidelijk zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk als je haar in een boom in het Vondelpark terugvindt, zij zit daar van bovenaf naar de passerende mensen te kijken. Onbespied, althans daar is een meisje van zeven jaar van overtuigd.

Reisel beschrijft alle kamers van het huis, en ik kijk nieuwsgierig mee. Ze vertelt mij over buurvrouw Dulith, die haar ezel Adam in de gang liet wonen. Op een dag zag de troep kinderen waar Reisel deel van uitmaakte, mevrouw Dulith Adam strelen. Haar ezel was die nacht overleden. De groep kinderen, die nieuwsgierig vanuit de tuin toekeken, werden binnengelaten en mochten ook afscheid nemen van Adam. Een ontroerend verhaal dat je meeneemt naar bizarre gebeurtenissen uit je eigen jeugd.
In mijn geval; de bruine rat die hard rennend op het trottoir, die net niet geraakt werd door een klomp, die iemand razendsnel uittrok, en naar die rat gooide. Het lijkt een scène uit een dorpsverhaal aan het begin van de twintigste eeuw, maar het speelde zich af in Charlois, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Charlois was allang geen dorp meer, maar een Rotterdamse wijk aan de linkeroever van de Maas.
Iemand op klompen was ook in die dagen geen regel, maar uitzondering. Wel was er in de straat om de hoek bij het huis van mijn Oma en Opa nog een smederij waar paarden beslagen werden. Ik zal een jaar of vijf geweest zijn toen ik daar een Zeeuwse knol, met gecoupeerde staart beslagen zag worden. Ik ruik de scherpe geur van verbrand vlees nog. Niet veel later, ik spreek over de eerste helft van de vijftiger jaren, was de smederij er niet meer. De prachtige paarden, en de smit, verdwenen uit zicht. Het dorp Charlois was definitief tot stad gepromoveerd.

Het fascinerende aan het boek  van Reisel is dat je exact weet waar de verhalen zich afspelen, namelijk in de Van Eeghenstraat in Amsterdam-Zuid. Als de verhalen zich in het huis zelf afspelen, in één van de zestien kamers, weet je op welk nummer, namelijk nr.100. En er is je dan ook al verteld dat de tuin aan het Vondelpark grenst.

In één van de eerste verhalen hoeven we alleen maar, op onze kinderfietsjes, de hoek van de Cornelis Schuytstraat om te slaan, om daar bij de Willemsparkweg, aan de overkant,  een winkelruit met een altijd gesloten gordijn te zien. Het blijkt de Crazy Horse Saloon. Wat dat was wisten de groep kinderen, en ook de kleine Wanda, niet. Ze wisten alleen dat dat gordijn nooit open ging.

Ook ik heb geen zin om het gordijn dat voor mijn nieuwe tekeningen hangt open te doen. Er stroomt geen schoon, nieuw licht naar binnen om die tekeningen, in al hun jeugdige frisheid, te aanschouwen.
Dat komt later wel, dat beloof ik U.

Trouwens, wat gaat de tijd toch snel! Je hebt de slaap nog niet uit je ogen gewreven, of het is alweer avond. Het eerste deel van deze tekst werd, ongelofelijk, zo’n beetje anderhalf jaar geleden geschreven.
Je kijkt snel om, en ziet De Tijd nog net om de hoek wegglippen..

top of page