Den Haag 17 mei, 2026
Dag Saskia,
een verhaal naar aanleiding van een boek waar ik erg van genoten heb.
Liefs, Rien
Ik lees Julian Barnes ‘Vertrekpunt’. Zijn laatste boek, zoals hij heeft aangekondigd. Barnes is geboren in 1946, hetzelfde geboortejaar als mijn geliefde. Eén jaar, na die onvoorstelbare ramp die Europa teisterde. U herinnert het zich vast nog wel, die geweldspiraal die de Europese Joden massaal de das omdeed. En dat nog geen dertig jaar na de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog in 1918, die de waanzin van het moderne wapentuig, ja tuig, een smoel gaf. Een weerzinwekkende smoel. Een mensonterend smoelwerk. De massale dood in de pot.
Er zijn brieven bewaard gebleven van Franz Marc, de Duitse expressionistische kunstschilder, wiens favoriete onderwerp dieren was. Hij, de beroemde kunstenaar, én lieveling van het publiek, schreef talloze brieven vanaf het front, vanuit een afschuwwekkende loopgraaf, naar huis. Naar zijn geliefde vrouw Maria, zijn ouders, zijn vrienden en vriendinnen. Hij schreef liefdevol en vol respect over de mensheid, onbegrijpelijk humaan en liefdevol in zulke bizarre omstandigheden, met veel van zijn vrienden in de loopgraven van de vijand. Zij waren immers, als bij bliksem aan heldere hemel, tot vijand geworden. Tot gevreesde en gehate Franse, Engelse en Belgische soldaten en officieren, ook al waren er vrienden, vaak kunstenaars bij, evenals hij. Hij had ze leren kennen in Parijs, waar zij hem in hun ateliers, hun progressieve voorstellingen, hun visionaire dromen, hadden laten zien. Of, hun avant-gardistische schrijfsels hadden voorgelezen. Nu lagen zij daar, in die telkens weer omgewoelde, ontploffende modder vol verschrikkingen, op hun rug te staren zonder zicht, naar de lucht, met stijf gekromde armen, en vuisten die smekend open stonden. Of, zij hingen, dodelijk vermoeid, in hun stinkende loopgraaf te wachten, tot het fluitsignaal klonk voor de volgende dodelijke aanval, en zij, zonder illusie en op hun tandvlees, naar boven klommen en begonnen te rennen. Zinloos, volkomen zinloos. Het dodelijk lood liet dan weer die, dan weer een ander, vallen. Fransman, Duitser, Engelsman of Belg? lood is lood!
Als Julian Barnes straks niet meer zal leven, om de eenvoudige reden dat wij er allemaal eens aangaan, zullen ze Julian’s boeken dan nog lezen? Die prachtige romans, zoals die met de titel ‘hoogteverschillen’, over de snelle, onverwachte dood van zijn innig geliefde vrouw Pat. Hoe overleef je dat, als je grote liefde er niet meer is? Door in je boek over haar heel lang over haar te zwijgen. Door je voor te stellen dat je de eerste ballonvaart boven Parijs meemaakt, en dat je daar een nieuw perspectief op het menselijk reilen en zeilen aan overhoudt. Omdat je doodziek wordt van het voortdurende informeren van je vrienden; hoe het met je is? Red je het wel, zo in je eentje? Kunnen we helpen? Je zegt het ons wel, hè, als we kunnen helpen, toch? Is er, in mijn geval, een kans dat iemand ooit nog eens een schilderij, sculptuur of tekening van mij zal bekijken? Of een catalogus? En is dat ter zake doende, of, alleen het ijdele verlangen van een toekomstige dode. Iemand die ‘elders’ is, en zich daarover geen zorgen meer hoort te maken. Maar ja, den mensch fantaseert er lustig op los, nietwaar?
Een goede vriend van Marc, de kunstschilder August Macke, en medelid van ‘’Der Blaue Reiter’, stierf ook daar in die waanzin van Noord- Frankrijk. Het internet vertelt mij dat het bij Champagne was. Hij was nauwelijks begonnen aan zijn leven. Hij werd slechts 27 jaar jong, ook al had hij al een heel oeuvre bij elkaar geschilderd en getekend. Franz Marc werd toch nog 36 jaar. En al is aan geen van ons ooit de garantie gegeven dat we als stokoude individuen zullen eindigen, is het een raar idee dat je jong zult sterven. Een mogelijkheid waar we liever niet aan denken, temeer omdat we weten dat een enkeling onder ons meer dan honderd jaar oud wordt.
To be, or not to be.
Zei iemand daar iets?
2
Der Blaue Reiter, opgericht in München in 1911, door Franz Marc en Wassily Kandinsky, bestond aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, en was geen grote groep mensen. Wel raakte zij twee belangrijke leden, door die rotoorlog kwijt. Gabriele Münter, Wassily Kandinsky, Marianne von Werefkin, Alexej von Jawlensky, Paul Klee, David Boerljoek, Maria Marc en Heinrich Campendonk bleven over. Een losse groep mensen die elkaar stimuleerden. Maar, die twee oorspronkelijke leden, Franz Marc en August Macke werden erg gemist.
We trekken het gordijn van De Tijd een stukje verder open. Het is weer vrede in Europa. De groep kunstenaars die net voor de Tweede Wereldoorlog geboren zijn, werden de provocateurs van de naoorlogse Duitse samenleving, waar men probeerde de Nazitijd zo snel mogelijk onder het burgerlijke tapijt te vegen. Mispoes! Types als Baselitz, Eugen Schönebeck, en ook Penck en Immendorff, werkten in de DDR periode samen. Schönebeck en Baselitz schreven, zij leefden beide nog in de DDR, in de vroege zestiger jaren, het gezamenlijk manifest ‘Pandemonic Manifesto’ over de nieuwe, figuratieve schilderkunst in Duitsland na de oorlog. Het werden uiteindelijk twee manifesten, nummer één uit 1961, nummer twee in 1962. De ‘Neue Wilden’ deden het expressionisme, in de tachtiger jaren, nog weer eens dunnetjes over. De groep wordt ook wel aangeduid als neo-expressionisten. Wat mij betreft neo-neo. Een paar bekende namen: Elvira Bach, Walter Dahn, Jiri Docoupil, Martin Kippenberger.
Nu, als ik dit schrijf, is Hans-Georg Kern (Baselitz, 1938-2026) dood, en daarmee zijn we terug bij waar ik al over schreef, het einde van je leven, en hoe daarmee om te gaan. Julian Barnes heeft ondertussen zijn laatste roman geschreven, in 2026, en die is eveneens in 2026 vertaald in het Nederlands vertaald. Ik lees de vertaalde versie, en ja ik weet, dat dat voor de puristen onder ons, onbestaanbaar is. Maar toch, ik zal niet de enige zijn. En hoewel de oorspronkelijke taal vanzelfsprekend te prefereren is boven een vertaling, doe ik het er maar mee. Mijn oprechte excuses, meneer Barnes!
3
Nu, op dit moment, zittend aan de keukentafel met zon die mijn ochtendjas verwarmt, het wordt een stralende dag, ga ik dit verhaal even onderbreken om een kop koffie te maken. Met een biscuitje, hmm, heerlijk. Niks schrijven, niks schrijver willen zijn, én, als het even kan, vooral geen uitgever tegen het lijf lopen. Gewoon dat heerlijke vocht door je keel laten glijden.
To be or not to be.
Zei iemand iets?
4
In St. Ives sleet Ben Nicholson (1894-1982) een deel van zijn leven, een kunstschilder die veel schilderijen gemaakt heeft waarbij realisme en abstractie, voor het eerst, gecombineerd werd. Een uiterst boeiende onderneming in een tijd waarin realisme de norm was. Al vroeg in de twintigste eeuw maakte hij een volledig wit abstract reliëf. Zijn tweede vrouw, Barbara Hepworth (1902-1975) werd een bekende abstracte beeldhouwer, evenals de bevriende Henri Moore 1989-1986). In de loop van hun levens werd abstractie langzamerhand de norm, en werd realisme bijna verdacht vele kunstenaars hebben zich sindsdien in St. Ives gevestigd, en er ontstond de zgn. St.Ives School. Momenteel een geliefde plek voor kunstliefhebbers in Engeland, met veel musea en galeries. Een drukke, toeristische plek.
Ik begon dit verhaal met Julian Barnes, die in 1946, net na de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog geboren werd. Hij ging studeren, ging schrijven, werd een beroemd schrijver. Iemand die door veel mensen, all over the world, gelezen wordt, ook door mij. Zoals reeds gezegd, heeft Barnes aangekondigd dat ‘Vertrek(punt)’ zijn laatste boek zal zijn. Jaren, echt jaren geleden, las ik zijn ‘Flauberts papegaai’. Een boek, waarin er sprake blijkt van meerdere opgezette papegaaien dan die ene, de ‘echte’, die op het bureau van Gustave Flaubert staat, die daar het verhaal ‘Un coeur simple’ schreef. Over de geliefde papegaai van de naïeve dienstbode Félicité van Flaubert die, na jaren liefdevolle verzorging, na zijn dood opgezet wordt, en de rest van haar leven bij haar doorbrengt. Tot zij hem, aan het einde van haar leven, voor De Heilige Geest aanziet, en ze elkaar (ongetwijfeld) in de Hemel terugzien.
Hoe mooi is dat!
Er wordt in zijn laatste boek (laten we daar maar van uitgaan) veel gemijmerd over hoe het einde van levens er uit ziet. Ook komt dementie vaak voorbij, en wat het betekent om ‘leeg’ in je hoofd te worden. Als Edmond de Concourt aan zijn dementerende broer Jules vraagt ‘waar’ hij is, antwoordt hij: ‘in de ruimte, in de lege ruimte’. Het klinkt als ‘oorverdovend stil’, want betekenisvolle ruimtes zijn immers ‘gevuld’, gevuld met de ‘oorverdovende’ geluiden van ons overvolle, tot aan de rand toe, gevulde bestaan, propvol ‘informatie’, die ons dagelijkse leven meer dan vult. Jean en Sebastian, twee oude vrienden van Barnes, worden door zijn toedoen, tweemaal een stel. Door Julian in hun jeugd aan elkaar voorgesteld, en vele jaren later opnieuw, wederom door bemiddeling van Julian. Het verglijden van levens, het verglijden van de tijd, de tijd die zichzelf ‘vergeet’, de tijd als vergetelheid, gesymboliseerd door twee vrienden.
Jimmy, de Jack Russell, de oud geworden hond én vriend van Julian Barnes, is opgestaan uit z’n mand, heeft zich loom uitgerekt, geeuwt, kijkt ons met z’n bar slechte, bijna blinde ogen aan, en wandelt met ons mee dit verhaal uit.

Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?

