Het grootste deel van de dag brengen we dromend door, maar de droom is de bewoonde wereld.
Het dagelijks leven is niet veel anders dan een heterogene verzameling van (dergelijke) rituelen. (…) De man die elke ochtend een wandeling maakt: is zijn wereld betekenisloos? In tegendeel. Rituelen zijn inderdaad ritmiseringen (maar) (en) wat een ritme opent is niets anders dan de alledaagse wereld waarin bepaalde punten, bepaalde momenten, bepaalde gebeurtenissen, als meer of minder betekenisvol worden onthuld. Tanden poetsen, de hond uitlaten, de verjaardagen van je kind… ‘Betekenisvol’ betekent hier: relevant voor mij in mijn alledaagse in-de-wereld-zijn. Ritmisering is geen bewust proces waar woorden op concepten en concepten op dingen worden geplakt. We maken ons geen voorstelling van het concept deur, we openen hem en lopen naar buiten. (…) Het grootste deel van de dag brengen we dromend door, maar de droom is de bewoonde wereld.
uit: Weerstandsbeleid, Jeroen Mettes

Lieve Rien, lieve Els,
Ik ga het vandaag nog een keer proberen om iets te zeggen over de relatie tussen woorden en beelden. (beeldende kunst en taal). De nadruk ligt daarbij op de relatie die ik het meest interessant vind. Dat is niet de kunstkritiek. Hoewel ik jarenlang over kunst schreef, vind ik kunstkritiek – kort door de bocht, het schrijven over kunst fijn, maar niet perse interessant. Ik houd van kunst, ja! Het is een deel van mijn leven en ik heb via het schrijven over kunst veel geleerd. Tegelijkertijd heb ik altijd willen ontsnappen aan de verantwoordelijkheid om een oordeel te geven of mening te hebben: Ze zijn beide zo vluchtig. Je schrijft een artikel, geeft een oordeel en Whoooossss, gaat door naar het volgende en, weer een mening, een oordeeltje, een artikeltje. Ik noemde het op een late zondagmiddag soms ‘een artikeltje poepen’. Dan zei ik tegen man en kind, we eten wat later, Mamma gaat even een artikeltje poepen.
Niet altijd oordelen dus. Wel nauwkeurig nagaan waarom en hoe je tot een oordeel komt. Op de hoogte zijn van je eigen wispelturigheid en interessen. Steeds weer nieuwe werken bekijken. Soms wat lezen. Je laten verrassen. Gaandeweg bleek mijn interesse voor conceptkunst en taal. Stanley Brouwn heeft het startsein gegeven.
Als ik spreek over de relatie tussen beeldende kunst en taal, heb ik het met andere woorden nooit over kunstkritiek, en eigenlijk ook nooit over de invloed van literatuur op beeldende kunst. De literatuur staat op zichzelf. Daarom vroeg ik jou, Rien, laatst hoe je leest en hoe je je onderwerpen kiest.
In je columns – laten we je brieven zo maar noemen – bespreek je schrijver na schrijver, boek, na boek. En soms ken ik de schrijvers en las ik een boek van hem of haar, zoals ik van Julian Barns Flauberts Papagaai gelezen heb. Uit nieuwsgierig denk ik, want niet zijn verhaal, maar het origineel, het verhaal van Flaubert heeft indruk gemaakt. Ik las het vrij recent. En dan Bohumil Hrabal … Wat een schrijver! Wat een mens! Wat een werk! Een aantal snippers van zijn verhalen waren al op mijn pad gedwarreld. Jan las voor uit Al te luide eenzaamheid en ik kocht wat mooie kleine uitgaven met verhalen over zijn katten en op de boekenmarkt op het Spui, waar ik steeds vaker kom en die ik steeds vaker schuldbewust mijd omdat ik er altijd iets koop als ik er langskom, verwierf ik het mooie dikke Verschoven Zelfportret uitgeven in 2000 door Bert Bakker. Er staan drie romans in: Trouwpartijen thuis, Vita Nuova & Kaalslag. Ik ben dol op dat boek, hardcover, mooie foto van Praag op de omslag, fijn papier, en alleen al deze uiterlijke eigenschappen blijken van belang. Ik had Trouwpartijen thuis al ik de kast en Jan had Vita Nuova staan in lelijke, paperback uitgaven. Die neem ik dus niet ter hand. Zo’n mooie dikke pil wel.
O, ik hou echt van Hrabal! Zeker sinds ik achter elkaar in één adem die drie romans gelezen heb. Je krijgt een goede indruk van zijn stijl en van zijn leven. In mijn kleine Tsjechische bibliotheek, waarin inmiddels ook De brave soldaat Švejk, is opgenomen. (Toen ik jong was op TV met Heinz Rühmann als vertolker, hij sprak een vriendelijk dwaas Duits, geen Oostenrijks – hij komt niet ongeschonden uit de oorlog lees ik op internet!) en Karel Čapec opgenomen zijn (Čapec die over tuinieren en buitenaards leven schrijft, was evenals Hrabal stationschef gedurende de oorlog) speelt hij – Bohumil – een hoofdrol, naast Kafka natuurlijk, die echter zoveel serieuzer wordt genomen. Hoe dan ook, Hrabal, wiens leven aan alle kanten door de politiek in de grinder werd gegooid, zodat hem van alles een beetje restte, een beetje rechten, een beetje arbeider (staal en papier), een beetje handicap, een beetje geld, geen politiek, veel drank, veel schrijven en een trouwe lieve vrouw. Dat hij zijn grote liefdesgeschiedenis met Pipsie door haar ogen beschrijft, een nieuw leven, het perspectief verschoven, dat hij in Vita Nuova geen punt zet, maar het verhaal in één lange slinger laat verschijnen en ontstaan, geeft iets aan over zijn gevoel voor humor en stijl. Het leven is een rommeltje, een chaos waar we geen grip op krijgen, waar we slechts een onderdeel van zijn, we zijn nooit ons beste zelf, nooit volledig, nooit af: Heeeeeeel mooi! (Wat natuurlijk geen oordeel is en ook geen mening, maar een hoogst persoonlijke ervaring).
Maar ik vroeg jou, hoe jij leest en je onderwerpen kiest en je antwoordde: Soms bewonder ik een schrijver zo zeer. Dan ga ik er helemaal in op in zo’n boek. Hoe krijgt zo’n schrijver dat voor elkaar, dat die wereld helemaal echt is…en je zocht naar een voorbeeld en ging helemaal op in een volgend verhaal, en de oorlog en de ervaringen die mensen op hebben gedaan, en dat je het onrecht niet verdragen kan…
—
Ik deel je ervaring en enthousiasme natuurlijk. Ik lees graag en vind een zekere bewondering voor literatuur vanzelfsprekend. En natuurlijk ‘verdwijn’ ik ook graag in een verhaal. Maar ik ben niet op zoek naar literatuur die het leven oproept. Ik wil me ook niet identificeren met een romanpersonage. Ik denk dat ik zelfs niets wil herkennen… Hoezo herkennen? Maar niks herkennen vind ik ook ingewikkeld. Met verbazing lees ik een artikel van Marja Pruis in de laatste De Groene, over kleding en aankleden en zo. Ik hou van kleren, anders had ik nooit Bring No Clothes van Charlie Porter gelezen, of Vrouwen en Kleren van Sheila Heti and Friends, maar als Pruis over haar jurken, rokken en hoge hakken schrijft wordt ik nerveus. Ik herken vaag iets van iemand die ik helemaal niet ben.
Okay, niet echt interessant, vermoed ik. Als er ooit nog iemand tegen me zegt dat ik mij vaker sexy kleden moet, mijn moeder kan dat zeggen, er was ooit een baas die dat tegen mij zei, dan antwoord ik de volgende keer, okay, dan kleed ik me wel uit!
—
Het leven is vreselijk veel en als we schrijven of wetenschap beoefenen brengen we een kleine, vaak tijdelijk orde aan. Dat noemen we dan literatuur of kunst of een ontdekking. En daarom, vanwege het dromen en weglaten van het veel dat de wereld chaotisch maakt, ben ik ook in structuur geïnteresseerd. Niet de grote ervaringen, maar de kleine ontdekkingen.
Dat je een zelfportret kan schrijven vanuit het perspectief van je geliefde (om jezelf te relativeren en ironie toe te staan natuurlijk, maar dat doet er niet toe). Dat je een woord met potlood op papier kunt schrijven en dat er dan een tekening staat. Dat je een sculptuur kan maken van het woord BEELD, dat je er een driedimensionaal ding van maakt, waardoor je het woord niet meer ziet, een slim ruimtelijk spel omdat de constructie, de driedimensionale bouw van de sculptuur eerder opvalt dan de letters die het woord vormen: Je kijkt als het ware door de spijlen van de constructie heen en ziet niets. De leegte die je aandacht trekt veroorzaakt een vertraging en die vertraging is betekenisvol en lijkt naar een vraag over de aard van beelden te voeren: Hoe zit dat met beelden? Zijn zij een directe consequentie van het zien of worden zij, bijna onmerkbaar door ons geconstrueerd? Bijvoorbeeld omdat we een deel van de omgeving kaderen of omdat de dingen onze aandacht trekken of …
—
En dan jouw tentoonstelling Els, waar ik precies een week geleden naartoe ging. Dat was echt heel fijn om te zien. Levendig en nieuw en …
Misschien ging ik daar wat te snel langs heen, maar ik hou van de schrijfstijl van anderen. Ik hou van de stijl van Rien, omdat Rien, jouw stijl zo eerlijk is en oprecht emotioneel betrokken. En ik hou van jouw precisie, Els – ik ben er een beetje jaloers op, op hoe je schreef over die kauwtjes op het station die je aankeken, hoe je sprak over de zilvervisjes in je huis, een beetje jaloers omdat ik zo anders ben. Ik zie altijd veel, ervaar altijd veel en snel en soms te snel en soms een beetje bot omdat ik dingen afkap. Goed.
Broze Geschriften is een hele mooie tentoonstelling. Poëtisch, niet metaforisch als in een overdracht van poëzie naar beeldende kunst, maar daadwerkelijk omdat je je uitvoerig uiteenzet met taal, terwijl je beeldende kunst maakt en laat zien. Je maakt, dat zegt de titel al, ‘broze geschriften’ – al schrijvend, al makend.
Het sleutelwerk van de expositie is waarschijnlijk het blocknote met notities van je schrijvende vader. Ik ga zijn naam niet noemen omdat ik nog nooit iets van hem las, maar ook omdat jullie waarschijnlijk zo verschillend zijn en het eigenlijk niet nodig is om te weten wie hij was (als schrijver dan). Ik zoek wel even op hoe zijn werk ontvangen werd, speur voor dit stukje op internet DNBL. Vraag aan Jan of hij ooit iets van je vader las en Jan antwoordt dat zijn beste vriend het werk van je vader sterk bewonderde, die vriend was ook kunstenaar. Hij tekende en ik zou zijn stijl als een soort Gentlemen Popart met religieuze verwijzingen kunnen typeren, een stijl waar ik plotseling ook het werk van je vader doorheen zie schemeren…
Broos. Je neemt het blocknote, versnippert de pagina’s en mengt ze door de pap waaruit je nieuwe papiertjes maakt. Het werk op de expositie bestaat uit de voorzijde van het blocknote en de kartonnen achterzijde, daartussen zijn de nieuwe papiertjes geplaatst. Lijntjes (gelinieerd papier), ballpoint letters, stukjes van letters, van handschrift, van zinnen, van woorden. Ik was verrast, ook wel blij dit werk te zien, dansen, dwarrelen van letters, half verborgen, half bedekt. De betekenis van de woorden is verdwenen. Toch schemert een aanwezigheid door.
Een tweede werk met een dergelijk werkvoortgang vind ik eigenlijk nog mooier. Een enveloppe en briefpapier, met op ieder vel enkele zinnen, de resten van gesprekken die je met hem had. Dat ik dit werk zo mooi vond komt misschien omdat ik in de afgelopen twee weken de boeken van Jeroen Mettes las, zijn gedicht N30, pas opnieuw uitgebracht en Weerstandsbeleid, de verzamelde teksten van zijn blog en enkele essays van zijn hand. Het citaat bovenaan dit artikel komt uit dit boek. Mettes teksten maken me gevoelig voor de poëzie van deze tijd en deze wereld, de manier waarop tekst met de gemeenschap verbonden is. Ook de teksten die jij bewaarde zijn poëzie: vluchtige snippers, resten van laatste gesprekken, heel banaal, zorgen voor katten (& vergeten dat er een dood is), introspectief en zorgzaam, situatieschetsen waardoor niet alleen een beeld van een mens ontstaat, maar ook een besef van de ruimte, het huis, de tuin die bestaat en bestond. De trapsgewijze plaatsing van het papier, uit de enveloppe geschoven, geeft een ritme aan: het rite van de tekst, het ritme van ontmoetingen, het ritme van de dingen.
En dan tot slot dat laatste broze werk, dat ik echt heel, heel prachtig vindt. Dat kleine gedicht van plantjes en bloemen. Op de uitnodiging van de expositie is een fragment afgebeeld. Het werk bestaat uit twee ramen met kartonnen regels, en op al die regels zijn kleine, droge planten geprikt, heel zorgvuldig, en een klein beetje wreed, met een dunnen variant van de stalen spelden waarmee men vlinderlijven in rijen op piepschuim prikt om ze achter glas te bewaren. De kleine planten en bloemen die je in je tuin tussen de tegels vond, liet drogen – met wortel en al – vormen een heerlijk woordeloos ding-gedicht.


Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?

