Dag Saskia,
ditmaal een verhaal over het feit dat je, als je ouder wordt, iemand gaat missen. Tja, De Tijd houdt ons in de greep.
liefs, Rien.
Dit verhaal begint met een gemis, met iemand die er niet meer is. Laten we hem (want ja, hij was een man) J. noemen. Het gemis brengt me terug naar de zeventiger jaren van de twintigste eeuw, een eeuwigheid geleden. Bestaat er zoiets als ‘een eeuwigheid’? Of komen we dan al snel op het terrein van die paar echt knappe koppen, die op deze aarde rondscharrelen, die daar iets over kunnen zeggen. En, ik bedoel nu, wezenlijk iets over kunnen zeggen. Ik, de schrijver van dit stukkie, kan daar niet over nadenken. Ik kan er alleen maar naar ‘staren’, alsof iets erg ingewikkelds maar niet tot mij wil doordringen, en ik steeds tegen de buitenkant blijf aankijken. Je realiseert je alleen dat er mensen zijn die het wezen ervan wel kunnen ’doorschouwen’, om een ouderwets woord te gebruiken
dat vaak door de kunstschilder Piet Mondriaan gebruikt werd.
Ik praat nu wel over ‘de eeuwigheid’, maar ik moet het eigenlijk hebben over zoiets triviaals als ‘ een eeuwigheid geleden’, toen J. en ik beiden jong waren. Jong, niet alleen van lichaam, maar ook van geest. En nieuwsgierig, God, wat waren we nieuwsgierig! Twee jongens, die begrepen dat er veel dingen waren, die de moeite waard waren om je in te verdiepen. Zonder er misschien veel van te begrijpen. De wereld werd al snel een verschijnsel dat te complex leek om überhaupt te omvatten, maar waar je wel graag dicht bij in de buurt wilde blijven. Die werkelijkheid hield ons in de greep, zeg maar, maar we liepen er wel als kippen zonder kop bij.
J., die er dus sinds kort niet meer is, was er toen dáár wel bij, want we deden toen ook dingen samen. In ieder geval maakten wij ons voorstellingen over van alles en nog wat. En ook voorstellingen over onszelf, twee individuen, in een héle grote wereld. Wat gingen wij doen? Wat voor boeiends konden wij aan de wereld bijdragen? Tja, doet niet iedereen dat?, vraagt iemand in de zaal. In de zaal? Betreft het hier soms een toneelvoorstelling? Zijn wij in een bizarre droom belandt, waar ene J. en een ik-personage avonturen beleven, die ze nadat ze wakker zijn geworden, niet meer kunnen terug vertellen.
‘Heb je gedroomd?’ ‘Jazeker, maar ik weet, helaas, niet meer waarover.’
Is dat een onderdeel van de zorgvuldige ingestudeerde tekst, die je als beginnend acteur, natuurlijk wel uit je hoofd moet kennen. Of, moeten we het idee van een toneelspel maar uit ons hoofd zetten? De surrealistische tendens van dit verhaal doet vermoeden dat wij de zaak misschien maar z’n loop moeten laten gaan, zoals dat vaak maar het beste is met surrealisme. Zoals zo vaak met surrealisme vleit het zich vaak geriefelijk naast het absurdisme, die grote specialiteit van schrijvers, en andere kunstenaars, die in autoritaire staten moeten zien te overleven. Op dit moment lees ik ‘De meester en Margarita’ van Michail Boegakov. Een absurd boek, geïnspireerd op ‘Faust’ van Johann Wolfgang von Goethe, waar de meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen ongetwijfeld verslagen worden door de alledaagse realiteit. In onze tijd is dat de (sur)realiteit van Dictator Poetin. U weet wel, dat kleine mannetje, dat zo stoer loopt op die rode loper in het Kremlin, die zichzelf ziet als de nieuwste Tsaar aller Russen, en daarmee worden ook alle volkeren bedoelt die nu niet Russisch meer zijn, maar dat onder Stalin nog wel waren. En, met een beetje fantasie, nog wat meer volkeren, want genoeg kan niet genoeg zijn. Dat krankzinnige toneelstuk wordt hier opgevoerd.
2
Omdat, nadat ik weer eens wakker geworden ben, en ik mij niet ‘elders’ bevind (m.a.w. nog in leven ben) moet ik mij verhouden tot de dagelijkse realiteit. Opstaan, pissen, koffie drinken, met m’n zwaan uit wandelen gaan (niet waar, ter plekke verzonnen), en de dag doorkomen. ‘s Avonds een boeiende documentaire of speelfilm bekijken, en weer gaan slapen. Tot? Inderdaad, het einde dáár is. Maar, daarover later. Of, een andere keer.
Ondertussen is J. met een voorstel gekomen. ‘Zullen we vandaag naar dat en dat museum gaan, om die en die tentoonstelling te zien. Het is mooi weer, dus wat houdt ons tegen? En, de fietstocht er naar toe is aangenaam, en ook nog goed voor lijf en leden.’ ‘Goed idee.’ Dus, zo gezegd, zo gedaan. We fietsten langs de dromerige rivier, reden een stuk door de wereldberoemde, historische stad naar het museum, ooit de residentie van een vorst. Los, van een korte onverwachte bui, verliep de dag in perfecte harmonie. En, een terrasje kon er ook nog wel vanaf. Kortom, een dag om nog eens over te doen.
Natuurlijk werd er onderweg, en waarschijnlijk ook thuis, veel gepraat over wat we daar, op die tentoonstelling gezien hadden. Wat we gezien hebben? Oh, een tentoonstelling over de ZERO beweging, een kunstrichting die vanaf de vijftiger jaren van de twintigste eeuw, zowel in Nederland als in Duitsland, luid op de trommel sloeg, maar zich ook in Italië manifesteerde, waar de beeldhouwer Lucio Fontana beroemd werd, door letterlijk opgespannen doeken te doorsnijden, om daarmee ‘nieuwe’ ruimte te scheppen (spatialisme). Maar ook de kunstschilder Piero Manzoni, die wereldberoemd werd met zijn witte schilderijen, en zijn ingeblikte poep ‘merdre de l’artiste’. In Duitsland verschenen de kunstenaars Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker met hun ‘acties’ op het kunsttoneel. Een ware revolutie in de Duitse Kunst van na de Tweede Wereldoorlog. Een niet-expressionistische kunst dook op in het verwoeste Duitsland. Een kunst die aansluiting zocht bij de wetenschap. In Nederland bestond de Zero uit de nu welbekende Jan Schoonhoven, Henk Peeters, Armando en Jan Hendrikse, én voor korte duur, Kees van Bohemen. Deze vroege vormen van ‘zakelijke kunst’ werden niet altijd vriendelijk ontvangen, en sommige critici van toen, meenden er zelfs fascistische tendenzen in te ontdekken, met name bij het werk van Armando.
Deze groepen manifesteerden zich niet lang na de existentiële ramp, die als een Zwarte Schaduw, na de Tweede Wereldoorlog, over Europa (de Wereld) hing. Vooral Europa schaamde zich de ogen uit de kop, en filosofen schreven met inktzwarte inkt hun sombere teksten. Hoe kon de massamoord op de Europese Joden ooit plaatsvinden? En waarom was Duitsland, in Godsnaam, massaal gevallen voor de krankzinnige ideeën en obsessies van Adolf Hitler? We moesten ‘de Europese Cultuur’ opnieuw onder de loep houden, dat was duidelijk, die had blijkbaar op haar laatste benen gelopen, en de ramp was niet te overzien. De ‘zakelijke’ ZERO kunst was een uitdrukking van die poging.
3
Een gemis. Een groot gemis. Er is iemand uit je leven’ verdwenen’. Iemand die belangrijk voor je was. Hij zal niet meer bij je aanbellen, telefoneren, of mailen. Dat is moeilijk te aanvaarden, de schrijver K. Schippers had daar een mooie formulering voor gevonden; hij had zijn vrienden al even niet ‘gezien’.
Je moet het doen met herinneringen, en herinneringen zijn bedrieglijk, weten we, die creëren hun eigen realiteit.
Jan Bernlef heeft er fraai over geschreven, over dat geheugen, dat blijkbaar soms meer waarde hecht aan onbenulligheden, dan aan zaken die er (voor ons mensen) toe doen. Waarom onthoudt de mens onbelangrijke dingen soms zo scherp?, was één van zijn vragen, om belangrijke als onbelangrijk te ‘vergeten’. Bij herinnering kan je blijkbaar het woord ‘noodzakelijk’ vergeten. Het geheugen lijkt willekeurig te kiezen, wat te onthouden.
J. was ooit met F. Daarna was hij met H. Waarom noem ik hun namen niet? Die zijn toch niet geheim? Zou het iemand wat kunnen schelen, als ik hun namen publiek maakt. Ongetwijfeld niet. Er zijn tenslotte hordes mensen die graag met hun naam op de sociale? media bekend willen raken, en een absolute randvoorwaarde daarbij is, dat er een selfie bij zit. Wat? Eén selfie? Het liefst zoveel mogelijk! In alle rangen en standen denkbaar!
IJdelheid der ijdelheden. In wat voor werkelijkheid hebben we onszelf gewrongen? Een keurslijf vol onvervulbare verwachtingen? Een stapeling onmogelijkheden?
Ik zal moeten leren leven met het volgende ‘gat’ in de tijd. Het leven lijkt, naarmate je ouder wordt steeds meer op een gatenkaas. Tot er geen kaas meer over is! Maar voorlopig zit ik nog als een tevreden muis aan de resterende kaas te knabbelen, ook al heb ik vele vrienden alweer een tijd niet meer ‘gezien’, het blijft de moeite waard om te kijken wat er om het volgende kaashoekje te zien is!
J. ‘kijkt’ ondertussen geamuseerd toe.
4
Tijd is een ingewikkeld verschijnsel. Zo kun je ‘bij’ de tijd zijn, en dat kan ook nog lang blijven, ook na je dood. Maar, je kunt ook ‘uit’ de tijd vallen, zoals de kunstschilder Alma Tadema overkwam, zéér beroemd tijdens zijn leven, vrijwel direct daarna volledig vergeten. Je kunt in sneltreinvaart ouderwets worden, of erger nog, in de totale vergetelheid raken, alsof je nooit bestaan hebt.
Of dat er iets toe doet? Past zwijgen hier? Zwijgen over de tijd die voorbij gaat, die jou passeert, alsof het niets is, en jij op een hoek naar adem staat te happen, want ‘de tijd’ is je weer eens te vlug af geweest.
Tijd en jij, twee gezworen kameraden? Of twee ultieme vijanden?
Dasa Drndic (1947-2018), de Kroatische schrijver vult in haar roman ‘Belladonna’ een groot aantal bladzijden met namen. Namen van Joodse kinderen, uit Den Haag ( het boek speelt zich ook in Den Haag), die afgevoerd werden naar concentratiekampen om daar vermoord te worden, overigens samen met enkele leraren. De straf? Jood zijn. Voornaam, Achternaam, en geboortedatum. Dat is alles wat je op die, maar voortjagende pagina’s terug vindt. Inderdaad, het lijkt non-informatie. Irrelevant. Even de pagina’s doorbladeren, je Ziel op nul zetten (bestaat die überhaupt wel?), én, als er weer tekst verschijnt, gauw doorlezen. De Europese geschiedenis als archief, keurig geordend in archiefkasten. Zo, dat staat er weer netjes bij!
Wat wilde U weten?
Vraagt U maar, we hebben álles!
Den Haag 22 juli 2026

Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?

