
Dag Saskia,
‘t wil niet erg opschieten, maar hier is een nieuw verhaal.
Misschien. Misschien dat. Misschien wat?
Is het dat wat wij ons afvragen? Waar wij ons over verbazen, waar we wellicht geen greep op krijgen? Waarvan we vermoeden dat het alle kanten op gaat, zonder dat wij iets kunnen doen. Het vliegt rond als een zwerm vogels, die ons steeds weer ontsnapt.
Als taal die zich nog vormen moet.
Nee, niet die van baby’s die pruttelend hun eerste klanken proberen te maken, maar juist die van oude mensen die de bestaande woorden van een nieuwe inhoud proberen te voorzien. Die de taal proberen te ‘bevrijden’, als ware zij bang dat ‘de taal’ zich alleen
nog in oorverdovende cliché’s kan uitdrukken.
Zij maken zich zorgen. Ik zelf ook.
Je ziet ‘de taal’, en dan bedoel ik de spreektaal langzamerhand ‘versimpelen’. Ik wordt, met name op het internet, al lang niet meer met U aangesproken, maar botweg met mijn voornaam, alsof ik daarom gevraagd heb.
‘De taal’ spreekt mij aan, alsof zij een intieme kennis is, die ik graag zie, én goed ken. Maar, de afstand die ‘die taal’ schept tot mij, kan niet groter. De commerciële taal is er al lang in geslaagd een sfeer van persoonlijke betrokkenheid te suggereren, terwijl zij de kilheid heeft van een dreigende ijsberg, en dan vooral onder water, dus mijn Titanic kan zomaar ten onder gaan. Hoe vaak wordt mij, aangesproken met mijn voornaam, niet gemaand om op die heerlijke, zéér persoonlijke en verkwikkende vakantie te gaan, om dat zalige gevoel van ‘echte’ vrijheid wéér eens te ervaren. Om toch vooral helemaal ‘mijzelf’ te zijn. Alsof het internet, en alle ongevraagde reclameboodschappen het recht zouden hebben zich met mij te bemoeien.
William Kentridge, de wereldberoemd geworden kunstenaar en performer uit Johannesburg, Zuid-Afrika, beschrijft in zijn boek: ‘anatomie van het atelier’ het proces van de intimiteit die het atelier je biedt, de plek waar je vrij bent om te maken wat je wilt, ook als dat achteraf waardeloze rommel blijkt.
Waar begint het mee? Met rondlopen in je atelier? Het maken van koffie of thee? Het toevallig ontstaan van een eerste krabbel, omdat je denkt; dit moet ik onthouden, even snel noteren voordat ik het vergeet. Dat artikel dat op het laatste moment je oog treft? Die gedachtensprong die je plotseling overvalt? Kortom, het creatieve proces is op gang gekomen, en jij weet nog steeds niet of je er het slachtoffer van bent, of juist de veroorzaker. Maar, het werken is begonnen, en de verantwoording ervoor kruipt steeds meer naar ‘de wereld’ toe. Je bent je ervan bewust dat ‘de wereld’ om een hoekje meekijkt. Máár, tot nu toe blijft de deur van je atelier potdicht. Het is nog even een geheim. Het is nóg van jou. Een deelbare factor bestaat nog niet. Het moment van ‘onthulling’, van een publieke plaats in een gemeenschap, is nog ver weg. Je bent op jezelf teruggeworpen.
Er was, bij ons thuis, of in het huis van mijn Oma en Opa, een boek over het Vreemdelingenlegioen in Afrika. Daarin stond een foto van een soldaat uit de Eerste Wereldoorlog, die krankzinnig geworden was. De man had een zéér verwilderde, starende blik. Die foto fascineerde me, ik moest ernaar kijken, en tegelijkertijd beangstigde die foto mij enorm. Ik herinner me dat de foto, die ongetwijfeld zwart-wit was, het boek was oud en ik refereer nu aan de vijftiger jaren, toen ik nog een kind was. Waar die foto genomen was weet ik niet, maar ik weet wel dat het een zandvlakte was. Ik stelde me een woestijn voor, waarin de man moederziel alleen was. En dat feit alleen al beangstigde mij erg.Waar het boek gebleven is, weet ik niet, maar ik weet wel dat ik die blik nooit meer vergeten zal.
Ik moet aan deze foto denken doordat ik, in het boek van Kentrigde, in lezing 4, foto’s aantref van o.a. een man met een gasmasker. Die foto roept herinneringen op aan een blik die staart, een blik die maar één uitdrukking kent, die van het staren zelf. William Kentrigde vertelt in zijn lezingen, in een waaier van fascinerende associaties, over de beelden die in hem opdoemen. Alsof ze niet te stoppen zijn, als in een permanente va et vient tussen heden en verleden. Werkelijk fascinerend. Tussen het lezen door keer ik, in gedachten terug naar m’n eigen tekeningen. Door de stroom aan associaties die Kentrigde beschrijft is dat onvermijdelijk, je eigen geest leidt je a.h.w. naar je eigen ervaringen, naar je eigen artistieke
wereld. De deuren van je eigen ‘innerlijke’ atelier gaan open.
2.
Op dit moment werk ik aan een reeks eigenaardige tekeningen, die ik de titel ‘van lijnen, wegen en velden’ heb gegeven, ieder met hun eigen nummer. De serie is nog niet zo lang geleden aangevangen, dus de cijfers zijn nog aan de lage kant, maar de serie is ‘op weg’.
Op een leeg tekenvel A 4, teken ik, van boven naar beneden, langs een lineaal op regelmatige afstand, horizontale lijnen. Op een bepaald moment stopt de lijn, en ‘valt’ naar beneden, zoals het water van
een machtige rivier in een waterval terechtkomt. ‘Chaotisch water’, zou ik dat willen noemen. Water dat nog geen ‘bestemming’ heeft, m.a.w. er ontstaan chaotische lijnen. Lijnen die a.h.w. geen karakter hebben.
Wat zijn dat: ‘chaotische lijnen’? Heeft U daar ooit van gehoord? Zijn dat wellicht lijnen die een andere verschijningsvorm hadden moeten hebben? En, moeten zij nu uitzoeken hoe zichzelf te omschrijven?
Je hoort ze ruzie maken: ‘Nee, ik wil rechtdoor met, zodra ik de vlakte nader langzamerhand een fraaie kromming, zo een waarvan de schipper van de boot nauwelijks merkt dat er van het rechte pad afgeweken wordt. Die dwaze schipper denkt nog steeds dat de koers dezelfde is als voor het water viel.
Een volgende lijn zegt: ‘Zeur niet aan m’n hoofd, ik zie wel waar ik uitkom. Het kan me trouwens geen moer schelen wat voor vorm ik krijg, sterker nog, ik wacht gewoon geduldig af waar ik eindigen zal.’
Zo regent het pijpenstelen argumenten, maar geen enkele lijkt steekhoudend, voor iedere argumentatie is immers iets te zeggen. Wel heeft de schipper van de boot ieder besef van tijd en ruimte verloren.
De tekenaar zelf kan zich verstoppen achter z’n methodiek, door iedere nieuwe tekening een volgend nummer geven. Je zou kunnen zeggen dat hij de Chaos daarmee enigszins bedwongen heeft.
Kom, het is tijd voor de lunch.
Den Haag, 5 januari 2026

Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?

