een sterke expositie in het Stedelijk Museum
Vorige week voor de tweede keer naar de expositie πνεῦμα (Ἔλισσα) van Danh Vo geweest in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Dat ik meerdere keren naar een expositie ga gebeurt niet vaak, maar deze installatie vind ik zo bijzonder dat ik het niet laten kan. De invloed van het verblijf van Vo op de ‘De Güldenhof’, de Noord-Duitse caré-boerderij waar hij sinds enkele jaren werkt en woont, is goed te merken. Ik vind de tentoonstelling magisch, misschien zelfs helend. Ik kom er tot rust. De opzet van de installatie heeft namelijk iets van een tuin, een vergelijk dat niet alleen metaforisch is bedoeld. De expositie / installatie functioneert daadwerkelijk als een natuurlijke omgeving. Je loopt er doorheen en beleeft de werken keer op keer opnieuw. De betekenissen van het werk ontwikkelen zich en groeien. Bovendien, en dat is geen toeval, zijn in de tentoonstelling veel bloemen te zien: op de foto’s die de vader van Danh Vo, Jungh Vo, in schoonschrift van bijschriften voorzag en levende bloemen in grote glazen vazen, op een prachtige manier in Japanse traditie geschikt. Zoals in een zonnige tuin wordt je zo nu en dan, onverwacht door hun anatomie getroffen.
Vanwege deze indrukken zal de tuin in dit artikel de eerste leidraad zijn. Daarmee is het werk van Vo in een artistieke traditie geplaatst. Tuinen hebben een bijzondere functie in de eigentijdse beeldende kunst, vooral als zij gemaakt zijn door kunstenaars die redenen hebben om zo nu en dan in retraite te gaan. Ik denk dan aan de tuin van Derek Jarman in Dungenes; Het dorp aan de kust met de atoomcentrale, waarin hij zich terug trok nadat hij hoorde dat hij HIV besmet was. Hij leefde lang genoeg om een prachtige tuin aan te leggen en een imposant dagboek te schrijven, waarvan recent het tweede deel verscheen. Ik denk ook aan Little Sparta de tuin die zo’n goede remedie bleek voor Ian Hamilton Finley.
Danh Vo is misschien geen tuinman in de directe zin van het woord, hij heeft een tuinvrouw in dienst die het werk voor hem doet, en een goed geoutilleerde houtwerkplaats met assistenten die hem helpen bij de bouw van installaties. Maar het gegeven dat hij zich terug kan trekken en een buitenplaats voor de beelden uit zijn grote collectie heeft, bepaalt mede zijn nieuwste ideeën. Als je goed kijkt naar πνεῦμα (Ἔλισσα) kan je dat zien. Hoewel de tuin natuurlijk enkel een begin is, er zijn veel meer motieven en referenties in het werk van Vo te herkennen.


Water
De tuin een overkoepelend principe. Toch wil ik mijn beschrijving van de expositie beginnen bij een ander begrip, dat de opmaat vormt voor een belangrijk begrippenpaar. Het begint bij ‘water’. Ik had het, denk ik, bij het eerste bezoek, niet meteen in de gaten, maar de linker helft van de installatie in de kelder van de grote witte badkuip van het Stedelijk Museum is relatief leeg. Het zou als je van een afstandje kijkt heel goed een onderwaterwereld kunnen zijn. ‘Water’ heeft vervolgens vele verschillende betekenissen. Het is de scheiding tussen continenten, de oceaan. In die hoedanigheid is het niet alleen een zelfstandig motief. Het begrippenpaar ‘onder(water)wereld / (wereld)stad’ (of metropool) bevindt zich in het verlengde ervan. Dit paar structureert de installatie. Als je vanaf de entree naar de tentoonstelling kijkt, lijkt zij uit een lege onderwater-helft en een vollere stadshelft te bestaan met winkels, straten en parken.
Het linker deel is leeg en vol schaduwen die worden veroorzaakt door de verlichting van de werken die via schotten aan het plafond naar beneden schijnen. Tussen de schotten bevinden zich kleine presentaties van de werken, vaak met oude kunst gecombineerd. De losse werken die in het linker deel staan beamen de indruk dat het over de oceaan en over water gaat, en dat die oceaan en dat water op hun beurt voor jeugd staan en Vietnam, voor jeugdherinneringen wel te verstaan. Op de grond staat een vitrine met dik glas waar in een hoofd ligt. Verderop is een kleine presentatie met spullen van de vader van Vo te zien; Het water kortom verbindt heden met verleden, Amerika met Vietnam. Dat verbinding hier centraal staat, blijkt ook uit een bijzondere foto die prominent in dit waterdeel hangt. Daarop zie je een astronaut die door de lege ruimte zweeft. Hij is met een slingerend koord met het ruimteschip verbonden. Het koord lijkt op een navelstreng. Dat opent de mogelijkheid voor nieuwe fundamentele betekenissen: De oceaan kan ook een baarmoeder zijn. De navelstreng duidt op de labiliteit van de verbinding: een enkele knip en zij is verbroken.
Water is dus een idee van verbinding met verleden en vader en met Vietnam, maar kan ook voor een scheiding staan, voor scheiding en migratie. Voor dat laatste staan ook de reiskoffers die je overal in de expositie vind. Maar vooral die streng is vol betekenis. Het verbreken van die verbintenis is immers ook natuurlijk en noodzakelijk. Visueel resoneert de kronkelende luchtslang mooi met de Oost Indische kers die om de romp van Christus slingert. Dit beeld hangt even verderop van het plafond.
Bloemenzaak
De rechterhelft die ik als stad of winkelstraat of wijk beschouw, is voller. In het totaalbeeld is sprake van een zorgvuldig geënsceneerde asymmetrie. Dat van die winkel heb ik overigens niet zelf verzonnen: De foto’s zijn foto’s van bloemen die Vo in een bloemenwinkel nam van Vietnamese immigranten in Berlijn. Of je kan zeggen dat de bloemenwinkel daadwerkelijk in een straat ligt, hangt af van je verbeeldingsvermogen. In ieder geval is er sprake van andere ruimtes: Er is een ruimte met een liggende bronzen replica van een Boeddha waar je daadwerkelijk op zitten mag; Er is een ruimte voor het werk waar de expositie haar titel aan ontleent, πνεῦμα (Ἔλισσα). Misschien is het beeld van een bestaande stad te concreet, maar ik tref de formulering in contrast met – en als aanvulling op, die van de onderwaterwereld. Dat het niet helemaal duidelijk is hoe je de verdeling kan benoemen, hoort bij de manier waarop Vo begrippen hanteert. Zij zijn nooit eenduidig, ze zijn ambivalent. Dat geldt voor de overkoepelende begrippen als tuin, water, onderwaterwereld, stad, maar ook voor de specifieke beelden en objecten, de bloemen op de foto’s en de kunst.
De betekenis die de bloemen hebben in de expositie is een goed voorbeeld van de dubbelzinnigheid van zijn werk. Zij functioneren niet zomaar als ‘natuur’. De bloemen, met name die op de foto’s, bevinden zich ergens tussen natuur en koopwaar in. Dit effect wordt versterkt door namen ervan die door de vader van Vo zijn aangebracht. Het zijn de Latijnse namen, maar het systeem van Linnaeus wordt slechts ten dele gevolgd. Vaak zijn die namen onvolledig.

Vietnam – Amerika
De tuin en de schijnbare tegenstelling van onder(water)wereld en stad geven als eersten een schat aan betekenis prijs. Zonder overigens dat deze begrippen hiërarchische geordend zijn. Tuin en water en metropool vormen enkel een overkoepelend uitgangspunt. Het zijn aanwijzingen voor elementen van de thema’s van de expositie en het levensverhaal van Vo. Het gaat over migratie, de reis van hem en zijn familie per boot en over het verlangen naar Amerika, een droom, een land van beloftes. Het land van Kafka denk ik dan. Je wil er naar toe, maar je weet niet zeker of je er komt of dat je wellicht in het ruim bij de stoker blijft hangen. Natuurlijk je wilt vrij zijn, verbeeldt door het Vrijheidsbeeld dat Vo voor een eerder werk in kleine delen repliceerde. Maar wat betekent die vrijheid dan? In deze expositie toont Vo ook dat Vrijheidsbeeld, een ouder werk. Hij laat een deel van de zijkant van het Vrijheidsbeeld zien in de linker tentoonstellingshelft, en rechts een oor. De reis wordt verbeeldt door de koffers. De koffers hebben stickers en staan open. Meestal piept er een stuk van een beeldhouwwerk uit met een religieuze voorstelling.
De volgende referentie biedt toegang tot een motief dat misschien wel nog belangrijker is en in mijn ogen het hart van deze expositie vormt. Duik je aan de linkerkant van de expositie onder een van de vier schotten door die een gesloten compartiment vormen, dan kom je in een bijzondere ruimte terecht. Een gesloten ruimte met vier wanden vol behangen met de afdruk van een pagina uit een schrift met teksten met Westerse vertalingen van Vietnamese karakters. Op dat behang zijn ingelijste foto’s te zien van Vietnam. Ik neem aan dat dit de foto’s zijn die door een antropoloog werden genomen en situaties tonen van Amerikaanse soldaten met Vietnamese kinderen, een herinnering aan misbruik en de oorlog. Het is hier dat ik tot mijn verrassing ook een piece de resistance aantref: De brief waarin missionaris Théophane Vénard afscheid neemt van zijn vader; Hij zal worden onthoofd. Deze brief die vele keren door Pungh Vo in schoonschrift werd gekopieerd, geeft inzicht in een belangrijk motief in de werken van Vo, en in de expositie. Ik citeer twee zinnen:
Un léger coup de sabre sépare ma tête, comme un fleur printaniere que la Maitre du jardin cueille pour son plaisir. Nous some tous des fleures plantées sur cette terre que Dieux cueille en son temps, un peu plus tôt, un peu plus tard.
Ik lees het Frans met moeite, en geef hier een eigen vertaling die hopelijk okay is: (Met een snelle vaardige sabelhouw zal mijn hoofd vallen, met het gemak waarmee de eigenaar van een tuin een lentebloem plukt. Wij zijn allemaal bloemen geplant op deze aarde, en god zal ons plukken, de ene te vroeg, de ander te laat.

Acefalic
Dát, die onthoofding en die metafoor, de mens als bloem, komen in de hele expositie terug. Het verrijkt de verwijzing naar de tuin, die dus niet alleen een op een ervaring boogt, maar ook betekenis verleent aan al die bloemen die heel zorgvuldig in de expositie zijn geplaatst. De bloemen op de winkelfoto’s staan voor mensenlevens. Dan dringt zich ook de betekenis van de levende bloemen de vazen op. Zij zijn kunstig gecombineerd met delen van skeletten, met de graten van een vin, of een wervelkolom. De bloemen staan voor mensen, maar ook voor iets abstracts, mystieks. Waarbij dit laatste zowel over ethiek, het denken over goed en kwaad, als over de al dan niet persoonlijke relatie met een bovenwereld gaat. πνεῦμα (Ἔλισσα) is Grieks voor de geest, de adem en het leven. Met de vissevinnen komt de gedachte aan water en een onderwater-bestaan weer terug.
Als je de bloemen eenmaal op deze manier geduid hebt, kan je je niet meer aan de aanwezigheid van de vele onthoofdingen onttrekken. Er is als ik me goed herinner een Duits houtsnijwerk van de onthoofding van Judith door Holofernes te zien, en er zijn er vele andere onthoofdingen, letterlijk of in de vorm van losse hoofden en rompen. Vo maakt met zulke werken in de tentoonstelling, steeds kleine bondige installaties die een eigen, specifieke betekenis bezitten. De overkoepelende begrippen houden van een afstand de installatie bij elkaar. Als je van een afstand kijkt zijn er ook andere beelden, soms lijkt het alsof de onthoofding niet alleen voor de beelden, maar ook voor de toeschouwers geldt. Als ze achter de schotten staan, zie je uitsluitend hun romp, hun benen en hun voeten. Hoofdloos, denk ik, acefalic, en ik denk aan Bataille die over leven zonder hoofd schreef als over intensief leven in een roes. Zo wordt duidelijk dat de onthoofding over wreedheid en macht kan gaan, maar ook liefde en erotiek aansnijdt.
Erotiek en AIDS
Die erotiek is zichtbaar aanwezig. Van enkele Griekse beelden zijn met nadruk de billen te zien. Hoofd en lijf gescheiden. Dat ik openlijk over seks en liefde spreken wil, komt waarschijnlijk ook omdat ik zojuist de mooie vertaling van het tweede deel van de dagboeken van Derek Jarman las, Glimlach in slow motion. Jarman is een vrolijke, krachtige queer activist. Hij spreekt zich open uit, totdat hij op de laatste pagina van het boek al schrijvend sterft. Mooie mannen, een mooie kont, ook het werk van Vo is van een dergelijk levensbewustzijn doortrokken: Seks en liefde, wreedheid. Zijn we inmiddels echt te bescheten om hardop te zeggen dat het ook over seks gaat?
Dat dit door Jarman behandelde onderwerp Vo daadwerkelijk aan het hart gaat blijkt uit πνεῦμα (Ἔλισσα). Dat omschreven wordt als een portret van Julie Ault (1957), die in de tekst in de handout die in de zaal te vinden is een AIDS activist wordt genoemd. Zij staat niet alleen voor activisme, maar ook voor een bijzondere en vernieuwende manier om kunst met het sociale activiteiten te verbinden. Vo combineert voor haar portret een martelwerktuig, een bottenkraker, met het marmeren hoofd van een tot slaafgemaakte Romeinse jongen uit de eerste eeuw voor Christus. Ik sta wat langer stil en bekijk het ijzeren martelwerktuig. Het is na die blik heel moeilijk om de snoeimesjes en schaartjes die je op de foto’s uit de bloemenwinkel ziet als onschuldig gereedschap te zien. Hetzelfde geldt voor de beslagen ruit op een van de foto’s, de condens die van het raam druipt, zouden tranen kunnen zijn.

Een antwoord op de kritieken
Ben ik een babbelaar? Verklaar ik te veel? Er is vanzelfsprekend nog veel meer, maar ik wou vooral laten zien dat ik de expositie helder en goed te begrijpen vind. Natuurlijk heb ik ook het een en ander opgezocht. Zo las ik een uitstekend artikel uit 2013 van Sabeth Buchman in het Zwitserse tijdschrift Parkett. Zij haalt het artikel Unwritten Histories of Conceptual Art (1996) van Thomas Crow aan om te laten zien hoe Vo en anderen geschiedenis in hun installaties verwerken: De objecten zijn er een onderdeel van.
Helaas lijken ook de schrijvers in de kranten vooral willekeur te zien. Rutger Pontzen noemt het werk van Vo in De Volkskrant ‘eclectisch’. Kees de Keier heeft het in Het Parool over een snuffel, verzamel en ‘knutselwerk’. Fabienne Rachmaniev zal in De Groene het woord ‘rommelig’ gebruiken. Ik ben het niet met ze eens. De foto’s van de expositie ervaar ik welliswaar als leger dan de expositie zelf, die leegte kan moeilijk een volle tuin zijn, maar toch werkt Vo met een krachtig kader – vergelijk het met abstracte beeldhouwkunst of goede literatuur. Binnen dat kader zijn de betekenissen verankerd, zij groeien en ontvouwen zich met verloop van tijd. Als je deze installatie als rommelig beschouwd, zullen vele gedichten en romans eclectische woordenplaksels lijken.
Het werk van Vo is beeldende kunst en geen literatuur, maar de kunstenaar werkt wel met poëtische principes. Dat de tuin op de achtergrond zo’n belangrijke rol speelt, geeft dit aan, evenals zijn vrije gebruik van kunst uit zijn collectie. Hij combineert het persoonlijke met de betekenis van de objecten die hij onder meer van E-bay plukt. Ik vind dat een mooie, sterke benadering omdat alleen een zelfbewuste kunstenaar zo met Westerse kunst om kan gaan. Het is een juiste omkering van een relatie waarin het Westen altijd de culturele aangever wou zijn. Dat persoonlijke, zijn eigen verhaal, verdubbelt de motieven, en geeft de expositie pit. Hoe noodzakelijk het persoonlijke is leerde ik van de Amerikaanse dichteres Elizabeth Bischop. Zij leek in haar memoires altijd een bijna perverse belangstelling te hebben voor persoonlijke fragmenten. Die schaamteloosheid is gevraagd. Dat Vo objecten gebruikt en geen woorden, en zijn werk al jaren hergebruikt, sterkt zijn installatie. Het werk staat dan ook voor traagheid en duurzaamheid wat een verfrissend tegenwicht tegen eeuwigheidswaarde & vluchtige modetrends biedt.
Niet eclectisch dus, noch geknutseld. In tegendeel, er is sprake van een weloverwogen compositie, ontroerende en zelfbewuste werken die aan de wereld refereren en verhalen over leven en dood.
Danh Vo πνεῦμα (Ἔλισσα) – 14 feb t/m 2 aug 2026 ׀ Stedelijk Museum, Amsterdam
Derek Jarman ׀ Glimlach in Slowmotion, Dagboeken 1991-1994 ׀ Das Mag 2025 ׀ vertaling, Henny Corver & Nico Groen


