20.

Stephan Keppel 2020 02
beeld: Stephan Keppel Amsterdam 2020

 

 

zaterdag 1 februari 2020

Het centrale park is er een van vrijheden en verboden, vol zomers plezier en bankjespubliek, nationaal erfgoed en vindt- en reclamezuilen (voor koloniale mogendheden); Speelterrein voor sporttrainers en gezondheidsfreaks, jachtgrond voor singels, uitloop voor honden en degene die hen uitlaten. Een kattenbak en vogelhemel. Kauwtjes en papegaaien zijn er thuis.

En het Amsterdamse centrale park werd in etappes aangelegd. Eerst het deel van de Stadhouderskade tot aan wat nu het Kattenlaantje is vlak bij de tennisbaan, ter hoogte van de rozentuin. Daarna, na een tweede bedeltocht van een kleine groep grote investeerders, ook het tweede deel, tot aan de Amstelveenseweg, het stuk waar de Koeweide ligt.

De poort tegenover het Casino en de ingang tot het Max Euweplein werd in 1883 ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling geschonken. De grote stroom bezoekers zou, als zij tussen Leidseplein en Museumplein, heen en weer flaneerden het rij- en wandelpark onmiddellijk zien liggen. Een enkele beheerder werd geacht de boel te onderhouden, de vijvers vol vis tegen Jordanezen te beschermen. Ze stalen verdomme zomers de vis en werden pas ’s winters vastgenomen. Zo kwamen zij vanzelfsprekend de zomer daarop weer terug.
Wat moet je ervan zeggen? Het park dat tot 1953 in eigendom van de bouwbedrijven en hun investeerders was, moest eigen inkomsten generen,  een model dat nooit gewerkt heeft. De private onderneming had definitief een streep getrokken door eerdere plannen van Samuel Sarphati. Echt treurig was dat niet. De arts, chemicus, weldoener en broodfabrikant zou immers wel een huis aan het park betrekken. En die relatie met de koloniën? Het is maar net hoe lang je de keten van historische oorzaken en gevolgen maken wilt; Het park verbonden met kapitaal en burgerij; de burgerij met geld en koloniën; de koloniën met slaven en exotische avonturen; de musea met exotisme. Ja, er werden op het plein, naast het bizarre beeld van Jan Pieterszoon Coen, ook mensen geëxposeerd en kinderen. Maar desalniettemin een succesvol park, met een beeld van Vondel op een sokkel, hoeder van de stad, zijn moeder, staat op de sokkel en dichter van het vaderland.

Het is zaterdagmiddag en druk. Veel fietsers en wandelaars trekken een ronde in de snijdende wind. Onze route loopt van het wat vollere, oudere gedeelte, over de brede weg, in de richting van de Koeweide. We laten het deel van het park dat langs het Rem Koolhaas-pand loopt en het pad van de jeugdherberg, links liggen. Een milde nevel hangt boven de weide vol gras en kruiden, waar ’s zomers de ooievaars huizen. Tegen de ansichtkaartblauwe Biedermeier lucht stelen de torens van de twee kerken aan de rand van het park, dorps en romantisch af.

Geboren in Amsterdam is het park eigenlijk altijd aanwezig geweest. Aanvankelijk als plek van verboden, later als geheimzinnig en erotisch zomerpark, en tot slot als speelplaats voor kinderen, als knooppunt en groenvoorziening.

De verboden gelden mijn moeder die vaak vertelde hoe zij, pas in Nederland, door parkwachters gecorrigeerd werd als ze aan takken trok om ons de vruchten te tonen. De vrijheden gelden de hippies die na mijn geboorte al snel de plantsoenen en pleinen betrekken. Volop jaren zeventig zegt mijn vader tijdens een zomers bezoek: “Ik ga alleen op die terrasjes zitten, waar ook aantrekkelijke vrouwen zijn.”  Ik kijk hem vragend aan, en vol verbazing naar de vrouwen die hun borsten onder de stof van hun katoenen T-shirts zonder schaamte lieten zien. Gevaarlijk werd het pas toen wij op een zomerse dag een voorstelling in het parktheater bezochten. Kozakken. Mannen in leren laarzen. Zij dansen met sabels. Eén van hen is gewond. Het bloed kruipt van zijn vingers naar zijn armen.

Het is nog steeds koud. We lopen met een grote bocht om de groene weides en de vijvers heen. Langs de kromme boom naar het water waar een paadje van hakselhout ligt. Links de bomen en de struiken. Rechts het water dat vanwege de rulle houtsnippers onze zolen niet raakt. Het is koud als we langs de Italiaanse toeristen lopen die stoned op een bankje zitten. Het waait als we de man ontmoeten die iedere dat met zijn gitaar aan het water staat. Ook hij vertelt over zijn parken:

“Ik heb ooit gedrumd op het gras waar het beeld van de schrijver staat”, zegt hij: “Een vriend had een kinderdrumstel dat hij meenam op zijn fiets.”
Ik probeer me voor te stellen hoe zij jamden op de heuvel.
“Het heeft lang geduurd voordat ik dit park kon waarderen”, antwoordt ik.
“Dit is een fijn park”, zegt hij.
“Zo hoort een park te zijn. Het Erasmuspark en het Rembrandtpark zijn anders. Zo groen. Alsof er zeven voetbalvelden tegen elkaar aan zijn gelegd.” en route 21.

 

EN ROUTE is een experiment waarin herhaling centraal staat. Het is een onderzoek naar de flexibiliteit van taal en de flexibiliteit van de waarneming. Hoe komen schrijven en (voort)bewegen samen als je steeds dezelfde routes neemt? index
top of page