79.

Marc Nagtzaam 26

Marc Nagtzaam,  Zeichnungen / An Index of Notes / Jpeg / Variable dimensions / 2019 – ongoing

 

Zondag 3 mei 2020
Ring A10 West / Ring A10, Coentunnel – III

Begonnen bij Lelylaan via de Schinkelbrug. In het Vondelpark is het is druk en groen. Ook de vijf moerascipressen worden weer groen. Zulke fijne bomen! Zachte structuur, in kleine groepjes, romantisch slingerende schors en stam. De ‘dodeneilanden’ in de parkwateren zijn niet ´dood´ meer, maar even romantisch. Vol en gekleurd. Fris en groen. Tegen de achtergrond van stammen vol klimop en hoge kruinen. Groot hoefblad langs de oevers. De populieren in blad. Het groen maakt de omgeving intiemer, als een groene zoom, een groene sierrand en brengt de verte dichtbij.

De Schinkelbrug nu wandelend. Opnieuw vult de hoogbouw aan de andere kant van de Ring een deel van de horizon. Ze torenen boven de dakranden van de negentiende-eeuwse huizen uit. Daar is het vierkante water. Daar de drie dikke dames van Weeber. Ik loop onder de snelweg door – onder een van de groenste viaducten die ik ken – groen tegen het talud van de snelweg links, gaat mee de bocht om onder de tunnel door, waar rotsblokken liggen voor kleinvee dat de hoek om wil, en verdwijnt in het groen aan de zij- en achterkant van de gebouwen – maar ik ga links, door de opgebroken straat, langs het duistere seizoenarbeiders hotel met de nieuwe hoge flat in aanbouw, onder de Lelylaan door; ook een mooi betonnen jaren vijftig viaduct.

Ik ken de buurt en besluit bij de lage flats achterlangs te lopen, zo dicht mogelijk bij de snelweg. Daar is een smalle rand vol bomen en groen. De portiekflats staan vaak parallel aan de snelweg, maar ook haak erop. Zo wordt een kleine binnenplaats gevormd, met een plantsoen en parkeerplaatsen. De binnenruimtes verschillen. Je weet nooit waarom. Maar in de ene is een moestuin aangelegd, voor en door buurtbewoners. Er staat een kinderspeelplaats naast. Een andere binnenruimte is uitsluitend voor auto’s bestemd.

Achterlangs loopt een pad, langs lage betegelde onderdoorgangen die naar de andere kant van de snelweg leiden. Dat ligt aan de rand van het Rembrandtpark een rij hoge flats. Duits model, geen galerijflat, maar vierhoekig, met één centrale toegang. Ze nemen een groot stuk grond in beslag. Er liggen grindpaden. Er staan bomen. De rij flats langs het park loopt door tot aan het hoge jaren zeventig gebouw van gewassen beton, waar nu een hotel en een hotelvakschool in gevestigd zijn. Op 27 april hing de vlag daar half stok, nu heeft iemand het ding gehesen. Het hotel heet Leonardo. In de kale bedrijvenbuurt langs de A 10 in Zuid stond een even hoog gebouw met dezelfde naam. De hotels zijn helemaal leeg.

Ik steek wat straten over die de Ringweg kruisen, de Postjesweg (de lelijke grote parkhonden van Marjolein Mandersloot, Tom Claassen adept, of andersom, daar wil ik vanaf zijn.). De Jan van Galenstraat. Ik kijk bij een groot nieuwbouwcomplex (weer enorme vierkanten van lichte steen met transparante balkons) achterom en kan het kruispunt zien. De straten kruizen gelijkwaardig. Via lange voetpaden, door zebrastrepen aangegeven, onderbroken door meerdere stoplichten, kom je aan de overkant. Nu begrijp ik waarom de oversteekplaats bij de Kolenkit zo vreemd is: Je gaat niet onder de snelweg door en je kruist ook niet op hetzelfde niveau, maar gaat er overheen. Dat maakt de helling die je nemen moet enorm: nog veel groter dat bij de kruisingen op gelijk niveau. Daarom ligt de Kolenkit aan de voorkant zo hoog en achter zo laag. Je komt langs een diepgelegen pleintje met stinkende gauwe, look zonder look en wat oude, knoestige kastanjebomen.

Vlak voordat ik de Kolenkit bereik moet ik over de Erasmusgracht. Ook een heel bijzondere en fijne plek. Er loopt een fietsweg langs het water van de gracht, langs de portiekflats, parallel aan de Burgermeester de Vluchtlaan, tot bijna buiten de stad. Een geweldige wandelroute, waarbij je langs het geknoopte gebouw van MVRD loopt. Het gebouw met de hanglampen. Maar het viaduct onder de snelweg door is ook mooi. Links en rechts fiets en wandelpaden en je kunt met een betonnen trap links en rechts op het niveau van de snelweg komen. Ik loop naar de zilveren afscheiding tussen het voetpad over het water en de snelweg en kijk naar links. Daar gaat de Bosenlommerweg over de snelweg heen. Er zijn letters over de ramen van de gebouwen geplakt als een bericht aan de auto’s op de weg.

Ik loop niet over het binnenpleintje van de nieuwe ronde huizen, waar ik de vorige keer kwam toen ik dat prachtige stukje grond met al die distels vond. Maar naast de portiekwoningen beneden aan de weg. Ik bekijk de kleine beeldhouwwerken boven de sponningen van de deuren. Ze zijn opgeknapt en wit geschilderd en stellen in blokachtige jaren vijftig vormen de kruisgang voor. Deze belerende decoratie is niet minder erg dan de naam van de nieuwbouw, niet rapsodie, maar op z’n Engels  Rhapsody, Bohemian misschien?

Bij het Grafisch Atelier Achterlangs over het fietspad en de stoep met mooie grijze tegels de Haarlemmerweg. Ook hier een viaduct dat me verheugd. Misschien een van de eerste viaducten waar ik vreselijk veel van ging houden. Posters aan de pilaren van feesten, festivals en zo. Nu hangt er vrijwel niets. Niet alleen vanwege de uitzonderingstoestand. Ook omdat er hard gewerkt is, alles wordt opgeknapt. Ik loop binnen door in de richting van Station Sloterdijk. Naast het viaduct – de weg in plastic verpakt, twee geliefde stukjes groen: Tussen het viaduct en roze hotel het ene; Tussen het viaduct en de bedrijven het andere wilde stukje bos. Ik hoop dat ze blijven, die wilde bosjes. Er wordt zoveel gekapt, afgebroken, met de grond gelijk gemaakt, geschoren. Ik loop langs de dijk waarachter het dorp ligt en de kerk, Sloterdijk, en blijf ook daarna aan de binnenkant van de Ring lopen.

 

Een breuk. Bekend en toch nog plotseling. Hier is het landschap onmenselijk. Een vreemde schaal. Enorme grote glanzende grijze gebouwen aan de buitenkant van de ring. Brede straten en bedrijven aan de linkerkant. Veel geschoren groen, heel kort, heel droog. Wat gras. Wat planten. Ook de taluds van de snelweg zijn kaal.

Ik blijf hier lopen omdat ik straks het spoor passeren moet: Een tunnel zoeken onder de treinen door. Ook daar aan de andere kant kantoren en bedrijfsgebouwen, nog groter, nog kaler, nog vreemder. Er staan kantoren van internet firma’s, volledig naar binnen gekeerd. Niets is publiek. Straks kruis ik de weg en het goederenspoor dat naar het havengebied voert, naar het Hemwegterrein en de pont. Ik moet een beslissing nemen, ga ik naar de pont, waarschijnlijk de enige manier waarop ik van hieruit naar de overkant van het Noord-Zeekanaal kom, of ga ik terug? Ik besluit de A10 te volgen, zo ver mogelijk om te kijken waar ik uitkom. Is de Coentunnel al wandelend benaderbaar? Over de weg en het goederenspoor, langs de buitenkant van de heel brede A10 loopt een fietspad. Het gaat tussen de snelweg en de elektriciteitscentrale door. Intimiderend, om zo dicht bij de snelweg, zo dicht bij de grote fabrieken te zijn.

Als het fietspad een nieuwe asfaltweg kruist, volgt weer een viaduct. Ik loop de havens in. Fabrieken. Het fluit hard, het sist, het piept. Zoals ik bij de elektriciteitscentrale een zoevend geluid kon horen, het geluid van het snelwegverkeer dat tegen de nabije hoge wanden weerkaatst, komt hier machinegeluid uit alle kieren. Geen idee wat er gemaakt wordt. Waterdamp uit kleine kromme pijpen. Geen mens te zien. Zes enorme stalen cilinders op een rij, containers gevuld met ik weet niet wat. Een geordende wirwar aan pijpen (J. heeft een neef die zulke pijpsystemen ontwerpt.) En tussen de fabrieken, met aan het water de aanlegplaatsen voor grondstoffen en halfproduct, zo nu en dan enkele bomen, een wilg of een plantaan. Het gras is kort en dor. Uitsluitend pioniers, gewoon raketgras, gewoon varkensgras. Overal zand en grind.

Verderop schittert het water van het Noordzeekanaal. Er liggen boten, vrachtschepen, rijnaken, een passagiersboot, glanzend wit, aerodynamisch afgerond zoals hun neefjes van de nieuwe hoogbouw. Ook de hoogbouw van de Houthavens kan je van hieruit zien. De grote flat die de lucht inkadert, het lijkt alsof je haar naderen kunt. Dat is niet het geval. Ik kijk naar het punt waar de Coentunnel onder water verdwijnt en veel verderop weer boven komt. De machinegeluiden achtervolgen me. Het is griezelig. Ik voel me klein. Een ronkende oude Amerikaan rijdt voorbij, hij maakt een rondje en keert om. De weg loopt dood.

Weer langs de A10 maar nu de andere kant. Ik moet terug naar Sloterdijk, waar ik de tram zal nemen. Het valt op dar de tuinen van de bedrijven dichter bij de bebouwde kom ook dichter met stuiken beplant zijn. Een stuk zwarte aarde met rozenstruiken, een stuk zwarte aarde met een andere struik. Op een grove manier onderhouden. Plomp. Er groeit niets anders dan dat.

Alles heeft enorme proporties. De viaducten. De gebouwen. De wegen ook. Als ik in de verte kijk zie ik een viaduct met pilaren in de vorm van enorme gedeukte blokken. Dan volgt het glanzende maaiveld van het UWV gebouw. Groen glas, groene platen, smalle pilaren. Dan het woud aan bruggen en viaducten bij het station. En Route 80.

 

EN ROUTE is een experiment waarin herhaling centraal staat. Het is een onderzoek naar de flexibiliteit van taal en de flexibiliteit van de waarneming. Hoe komen schrijven en (voort)bewegen samen als je steeds dezelfde routes neemt? index

 

top of page