Cacophonie Intérieure

JanVanDerPolFolderCaca1

Patafysisch verzamelen

Verzamelingen van kunstenaars hebben altijd een bijzondere plaats ingenomen in de wereld. Op de eerste plaats omdat kunstenaar professionals zijn die veel over kunst en mooie dingen weten. Zij behoorden tot de vroegste verzamelaars en waren degenen die de zestiende-eeuwse vorsten en burgers adviseerden bij de uitbreiding van hun collecties of deze na hun dood verkochten. Het kon daarbij om schilderijen gaan, waar de vorsten in de Noordelijke gebieden een zekere voorkeur voor hadden, maar ook om antieke voorwerpen, sculpturen en penningen, de antiquiteiten die de vorsten in de Zuidelijke landen hoofdzakelijk bezaten.

De professionele positie van kunstenaars kwam in de aard en de functie van hun verzamelobjecten terug. Zij waren naast handelsvoorraad, les- en voorbeeldmateriaal – er waren immers nog geen fototoestellen en filmcamera’s – en pas op de laatste plaats pronkstukken waar je van genoot. Met de individualisering van de kunst en de kunstenaars worden hun collecties zichtbaar. Rubens bouwt in Antwerpen een huis om zijn collectie heen; Rembrandt gebruikt zijn collectie in zijn atelier, maar bewaarde de objecten in een wonderkamer, die het Rembrandthuis in Amsterdam reconstrueerde.

In zeker opzicht bleef die bemiddelende functie van de kunstenaars tot op heden onveranderd. Nog steeds is een collectie ook handelswaar en geven kunstenaars verzamelaars advies. Toch zal de functie en de aard van hun collecties aan het einde van de 19e eeuw ook structureel veranderen. Dat komt ten dele door veranderingen van de esthetische regels: Realisme en Classicisme verliezen tegen de tijd dat de moderne kunst ontstaat hun aantrekkingskracht. Nieuwe esthetische voorbeelden worden gezocht en gevonden. Ook de groeiende wereldhandel en het toegenomen consumentisme spelen een rol. De voorwerpen en goederen uit Azië, Afrika en het Midden Oosten, die vanaf de 16e eeuw schoksgewijs West-Europa binnen kwamen – je had in Rembrandts tijd al veilingen waar exotische spullen verhandeld werden – worden nu structureel verzameld en bijeengebracht.

Het zijn de late romantici en decadenten die de eerste grote collecties exotische spullen bezitten. Niet heel erg veel later gevolgd door de avant-garde en de surrealisten, waaronder André Breton en Marcel Duchamp. Zij zullen naast exotische objecten ook voorwerpen onder de aandacht brengen die mechanisch zijn geproduceerd, denk aan de naaimachine en de paraplu. Wat als een zoektocht naar nieuwe esthetische mogelijkheden begon, wordt dus het verzamelen van alle mogelijke objecten die de moderne wereld heeft voortbracht, en hun tegendeel.

Die negatieve, kritische mentaliteit is van groot belang. In het Primitivisme bewonderen kunstenaars alles wat een tegenpool van westerse waarden is. Er wordt gezocht naar de oorsprong van de vooruitgang en het tegendeel van de rationaliteit. De surrealisten stellen wat de westerse mens in haar onbewuste opslaat, gelijk aan wat de pre-modernen bewust beleven. Outsiders Art en ‘Primitieve kunst’, al dan niet aan Afrika of Oceanie gekoppeld. De eigenwijze Cobra-kunstenaar Asger Jorn zoekt zijn heil bij de Scandinavische boerensamenleving en bekritiseert Levy-Strauss in La Lange Verte et la Cuite samen met Noel Arnaud Le Cru et le Cuit van Claude Levi-Strauss (1964).

Het verzamelingen, ook door kunstenaars, wordt echter steeds minder als een praktische aangelegenheid beschouwd. Walter Benjamin benadrukt de historische kwaliteiten en de fetish- waarde van verzamelobjecten. Sharlatan-achtigen als Werner Munsterberger en sociologen als Jean Beadrillard proberen de betekenis van verzamelgedrag psychologisch te duiden. Obsessief gedrag lijkt bij verzamelen te horen. Als de Barbican art galery in Londen in 2015 een tentoonstelling over verzamelingen van kunstenaars maakt, krijgt deze de titel Magnificent Obsessions. Dat van die obsessies is niet helemaal onwaar, maar de nadruk erop vertekent. Je vergeet bijna dat door een groter besef van de betekenis van de moderniteit en haar negatieve kanten, ook het besef van de betekenis van verzamelingen en verzamelobjecten groeit. Objecten worden niet alleen vanwege hun vreemdheid verzameld, zoals in het kader van het Primitivisme en moderne toe-eigening of ‘appropriation’ gebeurt, en niet alleen bewierookt vanwege de bijzondere fetish-waarde van bezit. Vele genuanceerde vormen van omgang en interesse zijn mogelijk, zeker onder kunstenaars die de objecten niet alleen bewaren en tonen, maar ook nog steeds gebruiken.

De postmodernisten van de jaren 80 van de vorige eeuw zullen bijvoorbeeld veel aandacht hebben voor associatieve patronen zoals ze bij de Wunderkammer en vroege wetenschappelijke collecties te zien zijn. Zij vormen sinds Foucault een voorbeeld voor analoge collagevormen. Het gaat om een ordening die haar aantrekkingskracht ook ontleend aan een verwijzing naar het niet rationele en het pre-moderne. Op dit moment is daarnaast veel aandacht voor veel. Soortgelijke, al dan niet mechanisch gereproduceerde objecten, worden naast elkaar geëxposeerd. Het maakt het mogelijk om patronen te zien, zoals in de abstracte en conceptuele kunst met een zekere nadruk op overeenkomsten en verschillen. De mogelijkheden om via verzamelingen te communiceren zijn groot. Bij Jan van der Pol lijkt een gevarieerd mensbeeld centraal te staan. Hij plaatst de Afrikaanse keramiek naast de portretten ontleent aan kranten en internet.Objecten en foto’s van mensen en dingen worden naast elkaar geplaatst. Zij vormen een samenhang, og netwerken die mogelijk van doen hebben met de ‘hybriden’ van Bruno Latour.  Dit is misschien wat kort door de bocht, omdat van der Pol als kunstenaar maar weinig met de sociologie van doen heeft. Maar omdat hij ook van de ‘harde’ wetenschappen houdt, zou het kunnen.

Ik noem het verzamelen door kunstenaars pataphysisch, een verwijzing naar Alfred Jarry (Laval, 1873-Parijs, 1907) die in zijn postuum gepubliceerde roman “Roemruchte daden en opvattingen van Doctor Faustroll, patafysicus” de ‘patafysica’ uitvindt die hij omschrijft als (…) de wetenschap van de imaginaire oplossingen, die symbolisch aan de omtrekken de eigenschappen toekent van in hun virtualiteit beschreven objecten.
Verzamelingen van kunstenaars zijn patafysisch, omdat hun collecties de institutionele lijnen volgen, zonder geïnstitutionaliseerd te zijn. Zij zijn patafysisch omdat zij, zeker bij de postmodernen, de collagestructuur van de Wunderkammer bezitten. Het levert prachtige, bizarre en betekenisvolle samenstellingen op. Maar ze zijn ook patafysisch omdat zij de gangbare chronologie niet volgen. Ik volg de beschrijving over de tekorten van het denken in vooruitgang en geschiedenis bij de modernen van Bruno Latour in diens “Wij zijn nooit modern geweest” als ik veronderstel dat het in de verzamelingen van kunstenaars niet over het verleden en de toekomst gaat, maar over een spiraalvormige ontwikkeling, waarin allerlei tijden vlak naast elkaar komen te staan, waarin een historisch wetenschappelijk object gebruikt wordt, om een eigentijds verschijnsel vorm te geven. Alfred Jarry heeft als eerste goed begrepen waar de monsters van de westerse wereld geboren worden en de hybriden ontstaan.

Jarry, Alfred
Roemruchte daden en opvattingen van Doctor Faustroll, patafysicus, een  neowetenschappelijke roman, Bananafish, 2016

DSC_0002

Tekst bij de tentoonstoonstelling:
(…) meine Tagrätsel sind größer als meine Traumrätsel.“
Ingeborg Bachmann

Na een zomer lang werken aan een artikel met als titel Patafysisch Verzamelen, waarmee ik een jarenlange studie naar de bijzonderheden van kunstenaarsverzamelingen wil afronden, zie ik tijdens een wandeling door de stad in de etalage van een Amsterdams antiquariaat twee nieuwe boeken van de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann. Een goed cadeau voor mijzelf, denk ik. Na al die secundaire literatuur, filosofie, antropologie, geschiedenis is een écht boek mijn redding, en ik koop de smetteloze ongelezen exemplaren. Het gaat om »Male Oscuro« Anzeichnungen  aus der Zeit der Krankheit en »das Buch Goldmann«,  twee introducerende boeken van een nieuwe uitgave van de volledige werken, en een goede aanvulling op het kleine rijtje verhalen en romans van haar in mijn boekenkast.

Ik begin bij de dromennoties in »Male Oscuro« en lees iedere avond een klein stukje, twee of drie dromen, één of twee brieven die zij in een moeilijke periode van haar leven aan haar psychiater richt. Meer lukt niet. De tekst is indringend en Bachmann’s compacte taal intervenieert in mijn eigen dromen. Wat ik lees is echter zeer waardevol, al was het maar omdat de teksten veel verduidelijken over Malina, een nooit vergeten roman uit mijn studietijd. Daarnaast blijken haar notities aan te sluiten bij de manier waarop van Jan van der Pol bijvoorbeeld in zijn tekenboek uit 2012 ‘Nachtboek / Nachtwereld‘ droombeelden hanteert. De scherpzinnige observaties en gevolgtrekkingen van Bachmann zijn daarom ook goed bruikbaar voor een introductie van de expositie  Cacophonie Intérieure met werk van Jan van der Pol in het Morat Institut in Freiburg. Het is een goede start om over een samenhang tussen gedachten en ervaringen, droom en werken na te denken.

Bachmann is bijzonder.
Zij is ziek. Wat zij heeft is niet duidelijk, maar zij heeft angsten, grote angsten en neigt naar zelfmoord. Een outsiderkunstenaar is zij echter niet, althans niet meer of minder dan vele andere schrijvers en beeldend kunstenaars. Bachmann heroverweegt haar schrijven. Ze denkt helder over (haar) ziekte en helder over het creatieve proces, tegelijkertijd is zij – niet onbelangrijk – zeer kritisch als ze over psychologie en psychologen schrijft:
                Und eine andere Sache, die hat mich Jahrelang geärgert, noteert zij in één van de brieven, das war die ‚Psychologie‘, in Wien sagten wir die ‚Püschologie‘, die von unseren Kritiker zutotgeritten wird, weil sie einfach annehmen das etwas psychologisch ist und etwas andres nicht.
Waarop een exposé over psychologieën, in meervoud (!),  volgt. Deze passage waarin ze beschrijft welke voorstelling ze van denkprocessen heeft, is even complex en intelligent als Bachmann zelf. Ze probeert  met al haar analytische vermogens en zelfinzicht om de reikwijdte van het functioneren en disfunctioneren van haar denken en gevoelens te overzien.
                Naturlicht wäre es schön, wenn wir über diese Unbekannte, die Krone der Schöpfung endlich etwas mehr wüßte, und seis warum er wegen einer schlechte Magensäure im Unmut versetzt wird und warum gar jemand tötet (…). Es kommt mir Aussichtslos vor hinter diese Ungeheuer zu kommen, seit ich so viel weiß, faktisch weiß, und es müßte schon eine enorme Einbildung geben um einen Zipfel davon erwischen zu können.
Bachmanns beschrijving van het onvermogen van de psychiatrie is gekleurd door het besef dat zij de hulp van artsen nodig heeft om haar angsten te beteugelen. Ze is  cynisch wat het brein betreft, de ‘kroon van de schepping’, en sceptisch over de weg die de psychiatrie en patiënten die tot elkaar veroordeeld zijn, samen bewandelen.

Toch leveren therapie en ziekte Bachmann iets op. Ze realiseert zich dat je de droom uitstekend kunt gebruiken om de werkelijkheid te beschrijven, zoals zij in »Malina«  en het »Buch Franza«  zal doen. Ze beschrijft het interne denk- en schrijfproces niet als een uiting van het onderbewustzijn, maar als een manier om via de droom de wrede, onsamenhangende werkelijkheid nét iets beter te beschrijven, te ordenen en te bezien.
(…) meine Tagrätsel sind größer als meine Traumrätsel, du merkst dann, daß es keine Traumrätsel gibt nur Rätsel, Tagrätsel, unverlautbare chaotische Wirklichkeit, die sich im Traum zu artikulieren versucht, die dir manchmal genial zeigt in einer Komposition, was mit dir ist, denn anders wurdest du‘s nie begreifen, und dann pfuscht dein Traumen, dann dilettiert es (…) plötzlich aber nimmt sich dein Traum zusammen und tut den großen Wurf, ein Shakespeare hat ihm die Hand geliehen, ein Goya ihm die Bühnenbilder gemalt «

Ik vond de Tagrätselpassage sterk vanwege de vorm, het vergelijk met een theater, dialogen, decors en attributen incluis – altijd een handig concept voor een expositie waarin veel verschillende elementen en soorten objecten worden samengebracht – maar vooral omdat Bachmann duidelijk maakt hoe de droom tijdens het schrijfproces tussen werk en werkelijkheid bemiddelt. De droom is een afspiegeling en een vereenvoudiging van de werkelijkheid, die op een volgend moment een illusie blijkt, maar toch met een beetje geluk in weer een ander stadium een bruikbaar artistiek voorstel doet in de vorm van een beeld of geordende compositie. De relatie tussen beeld en verbeelding is kortom getrapt en gebroken en de werkelijkheid wordt via meerdere spiegels weerkaatst. Zij is echter niet te vangen, niet in de droom, niet in het werk. Zij blijft een mysterie, achter beschrijvingen en pogingen tot beschrijvingen verborgen. Ik was getroffen door deze formulering omdat ik er de bemiddelende functie van de kunstenaarscollectie in meen te herkennen. Ook de verzameling kan je als een reflecterende tussenlaag beschouwen die in contact staat met de werkelijkheid en soms halffabricaten levert die een plaats kunnen krijgen in het nog te maken werk.

De tekst van Bachmann is ook om een tweede reden interessant. Droom en angst zijn voor Bachmann een gegeven. Er is de angst van haar ziekte, een angst van binnenuit die onontkoombaar verbonden is met kwaadheid en haat. En de beangstigende dingen die om haar heen gebeuren, dingen van buitenaf die haar angsten sturen. De innerlijke angst staat echter niet in een causale relatie met de bedreigingen van buiten. Er is geen sprake van oorzaak en gevolg. Wel beïnvloeden en versterken binnen en buiten elkaar. Wat volgt is een draaikolk aan gebeurtenissen en emoties. De tentoonstelling Cacophonie Intérieure wil zo’n draaikolk zijn. De objecten uit de collectie van Jan van der Pol bemiddelen daarbij tussen droom en werkelijkheid. Via de collecties krijgen toeschouwers zicht op wat zich in gedachten bij de kunstenaars afspeelt en kunnen zij vermoeden hoe werkelijkheid en verbeelding in verbinding staan.

De objecten in de verzameling van Jan van der Pol staan voor de plekken waar ze vandaan komen. De vlinders uit zijn collectie bijvoorbeeld, die niet in de expositie vertegenwoordigt zijn, staan voor de natuurlijke omgeving waar ze gevonden zijn. De houten Aklama-sculpturen uit Gahna en de keramische Bura-koppen uit Burkino Faso en Niger, staan voor de geschiedenissen van hun makers, maar ook voor de geschiedenis van het kolonialisme en de dekolonisatie. Het gaat om een humanistische, algemeen menselijke betekenis zoals deze ook geldt voor de andere beelden die Jan van der Pol voor zijn werk gebruikt. De kleurschakeringen van de vlindercollecties zijn vaak een bron van inspiratie. Het gaat om de unieke werken, maar ook om de overeenkomsten en verschillen tussen de unieke objecten die zichtbaar worden omdat veel van dezelfde voorwerpen naast elkaar zijn geplaatst. De grote collecties beelden, zijn als een verzameling van paspoortfoto’s, die benadrukken dat een mens zowel dader als slachtoffer kan zijn, zowel individu en als deel van de massa.


Er is nog heel veel over de samenhang van de collecties en het werk van de kunstenaars te zeggen, maar ik wil het bij deze vergelijking van droom en collectie laten omdat zij evocerend genoeg zou moeten zijn. Wel wil ik nog een korte opmerking maken over de collectie en verzamelactiviteiten van het Morat-Institut en onze gastheer Franz Armin Morat. Ik heb het in mijn tekst bewust alleen over de kunstenaars en hun collecties gehad. Omdat kunstenaarsverzamelingen het onderwerp van mijn onderzoek zijn, maar ook omdat ik denk dat het verzamelgedrag van kunstenaars sterk van dat van instituten verschilt. Desalniettemin is het Morat Intituut ook een uitzondering op die regel omdat de verzameling uit kunst én kunstenaarscollecties bestaat. De Afrikacollectie werd bijvoorbeeld aangeschaft op advies van de Oostenrijkse schilder Kurt Kocherscheidt (1943-1992), die zich graag door de sculpturen liet inspireren. Hoe die samenhang kan zijn, is een van de interessante onderzoeksvragen van het instituut. Hopelijk levert ook deze tentoonstelling een bijdrage aan dit onderwerp.

citaten: Bachmann, Ingeborg (1926-1973)
»Male Oscuro« Anzeichnungen  aus der Zeit der Krankheit, Suhrkamp/Piper, 2017
JanVanDerPolFolderCaca2

 

 

 

 

 

top of page