De betekenis gaat het werk vooruit: interview met Just Quist

M4gastcollege at West Wednesdays #21 ELEMENTS

Een ateliergesprek met Just Quist
over de filosofie van Frank Vande Veire en andere bronnen

Saskia Monshouwer
Ik leer het werk van Just Quist kennen via Bas van den Hurk. Hij introduceert hem als partner voor een project dat ik organiseer en ik ben meteen onder de indruk. [[1]]  Het is niet gemakkelijk om te beschrijven waarom ik het werk zo aantrekkelijk vind, maar het is waarschijnlijk precies die eigenschap van zijn werk die indruk maakt, dat onbenoembare ervan. De vormen die hij weergeeft zijn eenvoudig. Het kunnen woorden zijn waarvan hij de letters één voor één met een vinger in de verf ‘kerft’ zoals op het werk dat op dit moment zijn website markeert, een titelloos diptiek waarop het woord  S C H A U W is weergegeven, maar het kunnen ook abstracte vormen of cijfers zijn die hij noteert, of incisies in strak gelakte panelen, of vormen van gepacificeerd staal, zoals So you are Friends with Camels.[[2]]

Op de website van galerie Cinnnamon in Rotterdam is zijn werk vervolgens te zien als onderdeel van zijn eerste presentatie op die plek, Pla Lino’ did you see that lonny pie (2017). Die weergave van het werk vult de informatie over de samenhang van zijn werken op een goede manier aan. Uit de installatieve enscenering van de expositie blijkt dat de werken van Quist ondanks hun trage, zorgvuldige en unieke ontstaansprocessen, geen – of in handen van de kunstenaar in ieder geval niet uitsluitend – geïsoleerde, opzichzelfstaande objecten zijn. Zij gaan ook een relatie aan met elkaar, de ruimte en de toeschouwer. Het is de bedoeling dat de werken ‘open’ zijn, verbonden met de wereld en hun omgeving, terwijl toeschouwers via een spel met hindernissen en subtiele verbanden actief bij de kunst worden betrokken. Zij worden geïncorporeerd. In de gloednieuwe catalogus, IN THE BLINK OF AN EYE of IN ÉÉN OOGOPSLAG, die in december 2018 van de drukker kwam beschrijft Harmen Eijzenga het effect van de werken van Quist:
Dat een kunstwerk ook gemaakt wordt, daar let je meestal niet op. Het is af en hangt roerloos. (…) – De ruimte maakt zich onzichtbaar.(s.m) – Bij het werk van Just Quist lijkt het daar juist om te gaan, de handelingen en de transformaties en deformaties die het werk hebben doen ontstaan, de relatie met de andere werken in de ruimte en de ruimte zelf- en het publiek.” [[3]]

Via het bekijken van de werken, het bekijken van de installatie-achtige presentaties en gesprekken met de kunstenaar probeer ik me een beeld te vormen van zijn werk. Het gaat om werken die zowel autonoom als samengesteld en betrokken zijn, zowel formeel in de betekenis van een zoektocht en omgang met de fundamenten van beeld, als persoonlijk en begeesterd. Of het nu gaat over het werk van hardboard of staal met hun heldere vormen en enigmatische incisies, of over de gefragmenteerde presentaties zoals Deschilderhetwerkhetatelier in Ceasuur in Zeeland (2013) en René Joffe bij Juliette Jongma in Amsterdam (2014) of over de prachtige titels zoals Centripetal Moiré (2012) en There is nothing there to save the organisers (2013), zijn werk roept vragen op. … Wat zijn de elementen waaruit het werk van Just Ouist bestaat?

Aan het werk vooraf
s.m.
Ik wou beginnen met enkele vragen over de teksten die je leest en de relatie tot je werk. We hebben het bijvoorbeeld al enkele keren gehad over ‘Breekbare, Gebroken tijd’ een tekst van de Vlaamse filosoof Frank Vande Veire, één van de weinige Nederlandstalige filosofen die expliciet nadenken over de positie en mogelijkheden van de beeldende kunst in de moderne en postmoderne samenleving. [
[4]] Je leest zo’n tekst heel vaak en intensief. Heb je dat nodig voor je werk? Wat is zo’n tekst voor jou, is het een voorbeeld?
J.Q.
Ja, ik lees veel, en als je veel leest komen residuen van die teksten zonder twijfel in je werk terecht. Hoe dat precies gebeurt is niet helemaal duidelijk. Het is niet zo dat ik iets letterlijk overneem. Ik laat concrete gedachten meestal besterven. Er is sprake van een conglomeraat aan ervaringen. Dingen moeten zich uitkristalliseren en als het ware indalen. Hoe het precies in het werk terecht komt, weet je nooit.
Werk moet nooit helemaal af zijn, verwijzingen niet te letterlijk. Intelligentie zit immers niet alleen in je hoofd, het zit ook in je handen. Het gaat om een aspect van de kunst dat ook in de gesprekken die ik met Harmen Eijzenga had, naar voren kwam: De betekenis van een werk gaat aan dat werk vooraf. Hoe dat gebeurt blijft moeilijk te bevatten. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met het beeld van een paard dat onderste boven staat, op z’n kop.

s.m.
Ik
kijk naar een piepklein stickertje van ongeveer 2 bij 2 cm., een fotootje van een paard dat door de sneeuw rent, een plakplaatje zoals kinderen als beloning op schoolwerkstukken. Het ligt op de vensterbank.
J.Q.
Het is een stickertje dat mijn dochter kreeg voor een werkje op school. Wat dat worden moet? Tsja, of het beeld zich leent
om te schilderen weet ik nog niet. De ontwikkelingsfase is lang.

Verder reiken dan je gewend bent

s.m.
Je geeft een plaatje als voorbeeld, ik wou eigenlijk eerst naar de teksten toe. ‘Breekbare Gebroken Tijd’ werd al genoemd. Frank Vande Veire bespreekt in die tekst aan de hand van de geschiedopvatting van Nietzsche de manier waarop mensen in deze multimediale wereld omgaan met de ervaring. Wat ontleen je aan zo’n tekst?
J.Q.
Frank Vande Veire roept vragen op, maar genereert ook beelden. In ieder geval bij mij. Hij is een filosoof die in staat is om zo te schrijven dat hij, richting geeft en
positie bepaalt. Hij schrijft met een zekere teneur die moet liggen, en ik denk inderdaad graag over zijn visie na.

s.m.
Betekent dat voor jou, dat je met je werk dezelfde vragen stelt als deze filosoof?  Vallen filosofie en beeldende kunst dan samen?
J.Q.
Ik kan in de kunst inderdaad dezelfde vragen stellen
als die die in de filosofie worden gesteld. Het heeft tijd nodig, maar het kost me geen moeite om filosofie ‘toe te passen’ in mijn werk. Ik zie het ook niet als iets dat ik aan een ander ontleen. Het is eerder een onderdeel van de al van ideeënstroom die ik op dat moment al ervaar en de positionering die ik kies. Mijn werk is immers altijd mijn werk.  Daar voel ik me heel zeker in.
Omdat filosofen en schrijvers voor verschillende perspectieven kiezen, voegt lezen altijd iets toe. Harmen Eijzenga is bijvoorbeeld duidelijk antropoloog/filosoof. Vande Veire werkt vanuit een psychoanalytisch perspectief en baseert zich in ‘Neem en eet, dit is je lichaam’ waar Breekbare Gebroken tijd in  is opgenomen, bijvoorbeeld op Freud en Lacan. Het boek begint met een analyse van moderniteit aan de hand van Salò van Passolini (de film op basis van ‘De 120 dagen van Sodom’ van Markies de Sade) en eindigt met het hoofdstuk ‘De cultuurcriticus als Hans Worst’. Vande Veire snijdt vervolgens grote onderwerpen aan, en verbindt bijvoorbeeld s
eksualiteit en filosofie. Hij beschrijft de moderniteit en de problematische consequenties daarvan een menselijk geheel. Fascinerend!
Ik ben geen filosoof, maar ook vanuit mijn positie als beeldend kunstenaar heeft het lezen van kunsttheoretische en filosofische teksten een duidelijke functie: het helpt me om verder
te reiken dan ik kan; Het is een manier om je beperkingen te leren kennen. Dat vind ik belangrijk, om me op terreinen te begeven die ik eerder niet betreden heb.  Ik vind het leuk, het is een goede training en  werpt zijn vruchten af.

 

 

Autonomie
s.m.
Zou je ook kunnen zeggen dat de filosofie voor jou de buitenwereld vertegenwoordigt? De samenleving? Dat het jouw manier is om via een omweg op de buitenwereld te reflecteren?
J.Q.
Ja en nee. Evenals kunst staat de filosofie in de samenleving. De filosofie bestaat niet alleen uit tekst, zij heeft ook een maatschappelijke functie. Daar zie ik een parallel met de maatschappelijke functie die ik als kunstenaar heb. Ik maak mijn werk, maar ben bijvoorbeeld ook bestuurslid van
twee culturele organisaties. De onderlinge uitwisseling tijdens die bezigheden zorgt ervoor dat de twee ‘werelden’ elkaar beïnvloeden. Ze maken op een ‘levende’ manier deel uit van elkaar.

s.m.
Dat lijkt in tegenspraak met Vande Veire. Hij verdedigt tot op zekere hoogte juist de autonomie van de kunst, die volgens hem geen ‘nut’ heeft, behalve dat zij wezenlijke vragen stelt die nergens anders in de samenleving worden gesteld, “de mens als het ware herinnert aan het onbehagen van de Cultuur”
J.Q.
Ik weet niet of hij die autonomie zo belangrijk vind. Ik in ieder geval niet. Autonoom suggereert ook dat iets afgesloten is, en geïsoleerd. Dat zegt iets over de definitie van kunst. Ik denk dat ik zelf in mijn werk altijd ruimte laat om een verbinding aan te gaan met de buitenwereld, de toeschouwer of Ander. Hoe die verbinding precies wordt gemaakt is opnieuw niet zo gemakkelijk uit te leggen. Voor mij begint het denken daarover onder andere bij het begrip objectiviteit van Marcel Broodthaers. Dat heeft met die openheid te maken.
                Ook Broodthaers schrapt veel in zijn werken en brengt de dingen terug tot de essentie. “Enerzijds wil je over de wereld alleen maar objectieve informatie verschaffen”. Anderzijds is er het subjectieve van het uitspreken van je ‘zelf’.

Genoeg aan tekort
s.m.
De betekenis van het begrip objectiviteit in relatie tot Broodthaers vind ik moeilijk te bevatten. Toen ik het op internet nazocht vond ik een tekst van Hans Theys , die de objectiviteit van Broodthaers ‘een wonderlijke onverschilligheid’ noemt. Zelf associeerde ik de verwijzing naar Broodthaers’ objectiviteit met het gegeven dat jouw werk iets expliciets object-matigs lijken te hebben…
Leeg en juist daarom een subjectiviteit (identiteit) of agency (handelingsvermogen) aan toe kan kennen…
J.Q.
Ja, dat zag ik, daar was ik het niet helemaal mee eens. Ik streef wel naar een leegte, maar spreek dan liever over  een ‘genoeg aan tekort’. Ik streef naar een zekere concentratie.  Als ik nadenk over de relatie van mijn werk tot de toeschouwer zou ik eerder zeggen dat er sprake is van een latente alternatie. Dat komt terug in de titel van een van mijn werken. (Alternate Latent, 2012) Alterneren betekent letterlijk elkaar afwisselen, het suggereert dat er ervaringswerelden zijn als je een object bekijkt, twee keer een staat van zijn. Daartussen vind een beweging plaats, er is sprake een wisselingwerking zoals je die ook hebt bij de interactiviteit van het internet. Dat is interessant.  Om terug te komen op de objectiviteit bij Broodthaers;  het laat zien dat het surreële niet alleen gaat over het afwijkende en vreemde, maar ook om wat dit afwijkende genereert.  Het surreële is dus veelzijdig. Het resoneert. Er is sprake van denk-beelden

s.m.
Bij die opmerking moet ik denken aan een expositie van het werk van René Magritte die ik een aantal jaar geleden in de Albertina in Wenen zag. De clichés over zijn werk werden daar op een overdonderende manier overstegen; niet alleen het woord- en beeldspel van Magritte is veel veelzijdiger en complexer dan het uitgesleten ‘Ceci n’est pas une pipe’ suggereert, ook zijn vroege  surreële experimenten, zoals ‘The Muscles of the Sky’ uit 1927, waar hij de lucht concrete vormen aan laat nemen.
J.Q.
Dat klopt Magritte, maar vooral Broodthaers, Max Ernst. Zij zijn op zoek naar resonerende beelden waardoor het werk in verschillende tijden, op verschillende plekken nieuwe relaties aan kunnen blijven gaan. .
Dat zij dit doen blijkt uit hun gebruik van objecten en middelen die hun oorsprong hebben in het verleden, in een gekende wereld, zoals 19e -eeuwse houtdrukken. Zelf zoek ik ook naar een mogelijkheid om de beelden te laten resoneren, naar alternatie.
Met de werken die nu hier in het atelier hangen gebeurt dat ook.

Aan de muur van het atelier tegenover de kleine tafel waar we aan zitten hangen twee nieuwe werken. Het ene werk links, laat, vrij expressief aangebracht een compositie van blauwe cijfers zien op een ruw wit vlak. In de rechter bovenhoek tamelijk klein de cijfers 34 en 60 en in het midden groot het cijfer 7. Het andere werk dat daarnaast hangt is kleiner. Er is een scherpe zwarte vorm op te zien die een gesloten constructie vormt. Ook dat blijken zevens te zijn.  

J.Q.
Als je
kijkt naar het schilderij met die cijfers. De cijfers 34 en 60 waren er het eerst.  Die hebben bepaald dat die grote 7 daar kwam te staan. Ook het andere schilderij is uit zevens opgebouwd. Zij haken in elkaar. Het zijn drie verschillende hoedanigheden, maar een zeven heeft ook iets landschappelijks, en binnen die vorm bakent het een ruimte af. Voor mij als schilder komt het formele altijd snel om de hoek kijken. Ik ben niet alleen bezig met de filosofie, maar bevraag ook de schilderkunst zelf. Iets dergelijks gebeurde al eerder, toen wilde ik de letter K. schilderen. ‘Wanting to paint the letter K’

Moderne kunst & Internet
s.m.
De formele schilderkunst is belangrijk voor jou, evenals de moderne schilderkunst. Aan welke kunstenaars moet ik dan denken? Ad Dekkers?
J.Q.
Ja, ik ben opgegroeid met de Nederlandse Moderne kunst. Dat beïnvloedt je, bewust en onbewust. Ja oa. Ad Dekkers, Edgar Fernhout, Peter Struycken,  André Volten… Dat heeft me beïnvloedt, het is je denkraam, bewust en onbewust.
Maar ik zet me daar ook tegen af. Ik doe geen ‘onderzoek’, zoals zij. Niet echt. ik werk ook niet serieel,
dat neigt in mijn ogen als snel naar posities zoals ze  de ‘cultural industry’ worden bepaald. Ik kan ook niet zeggen dat ik werk op projectbasis. Dat zijn dingen die me eenvoudig niet liggen. Ik twijfel aan de noodzaak ervan.   Het modernisme is uit op een zeker essentialisme, er wordt gesuggereerd dat de dingen een essentie hebben en zich laten samenvatten. Dat is niet meer relevant. Wel deel ik de motivatie van veel moderne kunst en de verbondenheid met het leven. Ik begrijp de interesse van Mondriaan in esoterie. Toen nog sterk bepaald door een zeker godsbesef en een verlangen naar harmonie. Dat zou je nu anders formuleren. Maar ik begrijp die behoefte wel.

s.m.
Samen met Bas van den Hurk en Isabel Cordeiro, twee bevriende kunstenaars, bespreek je met enige regelmaat de positie van de schilderkunst in relatie tot het hedendaags kunstbestel.  Hoe zie je de ontwikkeling van de eigentijdse avant-gardes in relatie tot het internet? Hebben je verzet tegen de ‘cultural industry’ en je voorkeur voor langzame processen daarmee te maken?
J.Q.
Als ik postinternet kunstenaars moet noemen die me interesseren, zouden dat  mensen als Pierre Huyge en Brad Troemel zijn. Niet persé kunstenaars
die altijd en alleen binnen het domein van internet werken, wel kunstenaars die met een groot zelfvertrouwen humanistische thema’s aansnijden in relatie tot het functioneren van wereldwijde media en nieuwe technologische ontwikkelingen. Internet is fascinerend. Het is niet alleen een disciplinerend instrument dat het Spektakel simuleert en de authentieke ervaring beperkt. Er zijn niches, er is ruimte voor contact, voor verandering. Iedereen kan zich op het internet steeds opnieuw profileren, bijvoorbeeld willekeurig nieuwe accounts aanmaken.
Misschien is er sprake van een overdaad aan internet, maar het medium biedt ook steeds nieuwe mogelijkheden. Frank Vande Veire beschrijft internet na een analyse van teksten van Nietzsche, als een voortzetting van het moderne historische bewustzijn en de problemen die dit oplevert voor de ervaring.

Wel verandert veelheid en openheid die het Internet vertegenwoordigt sommige dingen. Toen mijn catalogus ‘IN ÉÉN OOGOPSLAG’ klaar was bekroop me even het gevoel, dat dit drukwerk kwetsbaar en specifiek is, te midden van die enorme informatiehoeveelheid die het Internet verspreidt en produceert. Je vraagt je plotseling af, moet ik die hele stapel niet in tweeën snijden? Dan wordt het iets anders. Dat zou de reden kunnen zijn geweest dat Broodthaers voor Pense-Bête de restoplage van een dichtenbundel in een gipsen sokkel onleesbaar maakte. Pense-Bête ontstond in 1964, het was meteen zijn eerste werk als beeldend kunstenaar. Poëzie in gips, onleesbaar, en onveranderbaar, waarmee het zich direct onderscheid van alle vluchtige gedrukte en gereproduceerde media. Betekenis en beeld in één.

Limonade Modern, in het kader van de tienminutencollegereeks bij M4
s.m.
Je bent de eerste in reeks colleges M4, daarom tot slot nog wat over de schilderijen
Limonade Modern dat als uitgangspunt genomen is.  Werken uit 2018. Een klein werk met een grote blauwe ster en een vierkantje in de hoek en een groter werk waarin de sterren verdwijnen. Lees ik hierin de Monade, een begrip ontleend aan de tekst van Frank Vande Veire, breekbare gebroken tijd? Vande Veire gebruikt dit begrip dat oorspronkelijk van Leibniz is, als ‘metafoor’ voor internet. Hij volgt Jean-François Lyotard, bij wie de monade staat voor ‘het systeem’. [[5]] Het menselijke functioneert in oppositie van dat systeem. Vande Veire gebruikt dit begrip op het moment dat hij aan de hand van Nietzsche laat zien hoe het functioneren van Internet voortbouwt op het 19e eeuwse historische besef. Is jouw werk ook metaforisch, de titel en het beeld, of verstoor je die metafoor?
J.Q.
Beide. Maar hoewel mijn werk een formele kant heeft, leg ik mijn werk liever niet uit. In het werk wil ik ook niet teveel aanwijzen, zo van ‘dat’ is het, die kant moet je op denken. Je kan vaak wel zien hoe het is ontstaan, de stappen die ik heb genomen, de verrichtingen die hebben plaatsgevonden. Teksten die ik lees bieden de mogelijkheid om over mijn werk na te denken. Het gaat dan niet om een algemene stellingname, maar om specifieke invalshoeken en begrippen. In ‘Breekbare Gebroken Tijd’ schrijft Vande Veire hoe de tekst
en houding van Nietzsche op een romantische, ‘hysterische manier de huidige samenleving reflecteert. Dat begrip heeft mij gefascineerd, ook ik ben hysterisch, burgerlijk, kritisch en dus antiburgerlijk. Hysterisch resonerend maar toch uitkomend op een beeld. Vande Veire eindigt deze passage met de beschrijving van het deksel, een gammel deksel dat het fundamentele gebrek aan vervulling toedekt en verbergt. Dat is genoeg, maar er is wel enig moed voor nodig.

 
 

[1] Touch een ontmoeting met Bas van den Hurk en Just Quist, in het kader van Thinking Sense, januari 2016

[2] Untitled, diptych, acrylics on linnen, 92x132cm 2018
So you are friends with Camels, pacified steel, 49,5×56 cm 2014

[3] Harmen Eijzenga, In één oogopslag, p. 22, in: In één oogopslag, Just Quist, 2018

[4] Breekbare, gebroken tijd, Nietzsche en de moderne kritiek, Frank Vande Veire, in: Neem en eet, dit is je lichaam; fascinatie en intimidatie in de hedendaagse cultuur, p. 271-304, SUN, Amsterdam, 2005 1e publicatie, De Witte Raaf, Editie 64 nov-dec 1996, www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/1244

[5] Menselijkheid bestaat niet uit een positieve verzameling eigenschappen, zoals autonomie of rationaliteit, maar wordt door onmenselijkheid bezeten. Aldus het humanisme van de Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998). https://humanistischecanon.nl/venster/humanismekritiek/jean-francois-lyotard-het-onmenselijke/

top of page