19.

Stephan Keppel 2020 01
beeld: Stephan Keppel Amsterdam 2020

 

vrijdag 31 januari 2020

Shovel
Een shovel of wiellader, ook wel laadschop of grondverzetmachine genoemd, is een machine die onder andere gebruikt wordt bij het grondverzet. Er kunnen in de hefarm verschillende voorzetstukken gehangen worden, zoals een dichte bak, puinbak, palletvorken, stenenklem, hijsmast, stenenrotator of een veegbezem. Er zijn nog meer voorzetstukken maar dit zijn de meest voorkomende. Er zijn echter ook shovels met een vast voorzetstuk. Een shovel heeft vaak een knikbesturing, waardoor deze zeer wendbaar is. Er zijn shovels met een eigengewicht van 1300 kg tot meer dan 200.000 kg. In tegenstelling tot een dieplepel kan een shovel niet erg diep graven beneden het niveau van de wielen. Wikipedia (NL)

 

Als ik de stad uitga richting Den Haag/Rotterdam ga ik meestal via Station Sloterdijk. Met de tram via de Admiraal de Ruyter weg met de negentiende-eeuwse huizen; vele heel donker, heel hoog met kleine balkonnetjes vol rommel. Vaak denk ik eraan hoe ironisch het is dat de motieven van die balkonnetje oosters aandoen, een modieus element van destijds, terwijl nu geklaagd wordt dat in die huizen en in die buurt te veel mensen met Marokkaanse, Kroatische, Servische, kortom ‘oosterse’ wortels wonen.

De tram gaat langzaam. De straat is gedeeltelijk opgebroken. Er staan hekken. Bouwmateriaal, grote vierkante ijzeren korven met een enorme plastic jerrycans afgesloten met een grote geribbelde schroefdop, shovels, graafmachines, stenen, metalen onderdelen. Als de tram er langs rijdt wordt er gewerkt. De grond is weggenomen en de rails liggen op klossen. Ik kijk van boven uit de tram op de werkende mannen neer. Iemand zaagt geknield met een slijptol de einden van grote zilver glanzende schroeven af. Verderop staat een man op de linker rails. Hij kijkt toe of de enorme betonwagen, blauw met gele stippen, al door kan.

Dan kruist de straat de Haarlemmerweg. Rechts een hele rij kantoren in ombouw. Zij vormen een brede muur tussen de drukke tweebaansweg die van het centrum naar Haarlem loopt en het Westerpark. Zodra vanuit de tram oude dorpskerk van Sloterdijk te zien is, verandert de sfeer. De tramrails gaan nu over een grasveld met links en rechts een smalle beukenhaag. Het was me eerder niet opgevallen, maar het blad van zo’n haag wordt wel bruin en droog, maar valt niet onmiddellijk af.

Het dorp ligt achter een dijk tegenover een groot hotel. Opnieuw is niet het gebouw interessant, wel de restbebouwing en de begroeiing. Struikgewas, een elektriciteitshuisje. In de kieren tussen bebouwing en infrastructuur, daar waar de maaiveldoplossingen niet helemaal sluitend zijn, bevindt zich iets dat zich aan de gemeentedienst onttrekt: het leven. Langs het talud van de snelweg, tegen de rand van de sloot die zojuist nog is uitgediept. Iedere keer als ik langs kom, hoop ik dat er iets van die wildernis overblijft. Dat de gemeente niet plotseling besluit dat ook hier motorzaag, snoeischaar en hakselaar gehanteerd moet worden. Want juist nu in de winter, de bomen zonder blad, zie je hoe smal die stroken zijn, hoe ijl en mager de begroeiing.

Ook de tram gaat nu onder de snelweg door. Nog meer kantoren links en rechts, een enkele school. De weg naar het gebouw van de belastingdienst is donker en intimiderend. Wie heeft in godsnaam verzonnen dat dat gebouw eruit moest zien als een boek? Een donker glanzend ding dat alles in de schaduw stelt. Twee enorme vleugels die een piepkleine entree beschermen.

Dan het station: Pilarenparadijs. Ovalen pilaren, ronde pilaren en tweeling exemplaren. Zij zijn met vergroeid als twee bomen die veel te dicht naast elkaar ontkiemden. Ronde Y-vormige pilaren van de loopbrug die station met overkant verbindt. Viaducten, voetgangersbruggen boven de parkeerplaatsen van de grote bussen, die in tweeën knippen als ze voorbij rijden op weg naar een bestemming buiten de stad. Daar onder die bruggen aan de voet van de achterzijde van het station is het schaduwrijk en donker.

Ik denk aan Andreas Gursky die naar verluidt in de jaren tachtig dit terrein fotografeerde. De interesse voor infrastructuur en rafelige stadsranden is niet  nieuw, zoals al bleek uit het werk dat Keith Haring op de hoge bakstenen muur van een opslagloods op het Amsterdam Food Center maakte. (Het ding dat goed te zien is vanaf de Willem de Zwijgerlaan is recentelijk ‘herontdekt’.) Ze lijken alleen steeds te verschuiven. Ik kijk naar het gras onder de vele viaducten waar ooit verroeste boomstronken lagen; Een kunstproject dat probeerde om stukken grond waar niets meer wou groeien toch aantrekkelijk te maken. Maar ze zijn weg. Jammer, want ik denk dat het een goed idee is, om zo nu en dan een monument te maken voor de natuur die vanwege bouwactiviteiten verdwenen is.

Als ik op het perron sta en op de trein wacht loop ik nét wat verder door. Weer nieuwe pilaren die in dit geval een weg stutten die over de sporen ligt; een Y-vormige tekening op brede rechthoekige poten; de vorm van een dubbele V. en route 20.

 

EN ROUTE is een experiment waarin herhaling centraal staat. Het is een onderzoek naar de flexibiliteit van taal en de flexibiliteit van de waarneming. Hoe komen schrijven en (voort)bewegen samen als je steeds dezelfde routes neemt? index

 

top of page