3.

keppel_entre_entree_4_1024x1024
beeld: Stephan Keppel, 2014 -Entre Entree

Dinsdag 7 januari 2020


Ik wandel niet alleen in Amsterdam. Ook andere steden hebben mijn belangstelling al was het maar omdat ik inmiddels een methode heb. Daarom ben ik op een zaterdagmiddag in Rotterdam al enkele keren van het station, over de Erasmusbrug, langs de havenbekkens bij Katendrecht naar Charlois gelopen. Ook naar Tale of the Tub ga ik te voet langs jaren vijftig en zestig bouw met de gedempte kleuren en het vele glas. Ik houd van glas en beton. Een stukje tram, dan het Marconi-plein, het Piet Paaltjens-plein en de Justus van Effenstraat.

Ik ben tevreden als ik de kleurrijk geschilderde deuren en raamkozijnen van het wooncomplex in de Justus van Effenstraat zie. Jaren twintig. Amsterdamse school. Twee etages hoog. Donker groen, licht blauw en een badhuis waar het initiatief Tale of Tub gevestigd is. (Vandaar de naam, natuurlijk!). Tot mijn verbazing zie ik op internet dat de architect Michiel Brinkman ook de Stoommeelfabriek aan de Maashaven ontwierp. Als ik naar Charlois loop, kom ik er langs. Een grote bakstenen wand. Vlak naast het water. Markant en indrukwekkend.

Bij Tale of the Tub besluit ik dat ik ook de galerie van Wilfried Lentz wil bezoeken. Die ligt vlakbij. Het regent. Ik vraag naar de weg.
Kent u de Lee Towers?
Nee.
Kent u de McDonalds?
Nee.
Kent u de Praxis?
Nee.
Maar, ook ondanks mijn antwoord bieden de vragen voldoende aanknopingspunten om me in de omgeving te oriënteren. Ik ga terug naar het Marconi-plein, een op en af van trams en autoweg en stoep, en loop in de richting van hoogbouw over de met gras begroeide taluds.
En Joep van Lieshout dan?
Als ik een veel te grote polyester schedel zie, weet ik dat ik er ben.

Er is niemand in de galerie en ik kijk door het raam, dat vierkant is en op een televisiescherm lijkt: James Becket, Strange Glow. Ik gluur met achter mij het donker, en voor mij het licht dat in mijn verbeelding groenig is, heel licht groen zoals fluoriderend speelgoed dat kan zijn. Ik zie de schilderijen aan de wand, één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven. Ik zie ook de werken die binnen in de hoeken hangen, die ik van buiten niet kan zien. Collages met kopieën van gevelstructuren, de ‘so called “formatore” (…)’, een plaatje uit een tijdschrift, objecten, een krantenartikel over het leven van een bekend model bijvoorbeeld met een nare ziekte. Ze toont de littekens op haar rug. Potjes van schoonheidsproducten en shampoos. Groen. Op een ander werk een lolly in de vorm van een gloeilamp. Geel. In China stoppen de mensen dat ding volledig in hun mond. Dan zit het vast. Moer vast. Een waarschuwing.

Later ga ik verder naar Charlois, langs de Stoommeelfabriek, door de smalle donkere straten van de gemêleerde buurt. TL licht schijnt door de ramen van de ruimte van RIB, een mooi verlicht uithangbord met een schip: De fluyt en de Hoi.  Het is er gezellig. We lezen Oedipus. Ieder is zijn eigen personage. Ik ben Creon, en de kleurige houten blokken uit een blokkendoos zijn het decor. Dat lezen van Oedipus levert veel op. Behalve een bevestiging van mijn argwaan voor psychoanalytische verklaringen – ik zie het stuk niet als een psychologisch drama, maar als een politiek-ethisch spel – leer ik hoe moeilijk een samenspraak is. Het koor dat regelmatig spreekt, dat zijn we allemaal. Een kakofonie, die steeds opnieuw vrolijk wordt ingezet als de gesprekken op een familiefeest, niet geoefend, nooit op de maat, ieder zijn eigen persoonlijkheid eerst. Maar het mag de pret niet drukken. Het einde van het stuk is dramatisch, als Jocaste vrouw en moeder van Oedipus het paleis ingaat en zelfmoord pleegt en Oedipus achterlaat. Hij steekt zijn eigen ogen uit, omdat hij het zijn leven lang niet goed heeft gezien.

Als we napraten gaat het over incest en verhaalstructuren. Maziar vertelt over zijn vader die graag aan volksverhalen en Arabische literatuur refereerde. En Route 4.

top of page