4.

keppel_entre_entree_4_1024x1024
beeld: Stephan Keppel, 2014 -Entre Entree

Donderdag 9 januari 2020

Het is vanochtend ongemeen warm. Twaalf graden voor de tijd van het jaar, erg zacht. Bij het ochtendkrieken de merel. Opgewonden eksters, kraaien en hier en daar een groene papegaai in de kale bomen. Vooral de treurwilgen aan de rand van het water zijn mooi. De trage lange takken vaal oranje hangen tot vlak boven een rimpelloos wateroppervlak. Het lijkt alsof het water lager staat, de takken allemaal op dezelfde hoogte recht afgesneden; een pagekapsel. Er komt nog geen oorlog, althans nu nog niet. Het nieuws ketst af. En de waanzin gaat gewoon nog even verder waar ze gebleven was.

Toen ‘k ‘s morgens hier nog stil aan ‘t werk zag staan,
Die ‘k ‘s avonds halen moest in Ispahaan.’

Of het een terechte associatie is, Isfahan, weet ik niet. Er schijnt vlakbij die stad ook een kerncentrale te staan. Maar het ritme van die laatste twee regels van de Tuinman en de Dood doemden zonder het te willen bij mij op. Mag je nog dromen van Perzië? Tijdens mijn bijeenkomst in RIB Rotterdam met Rana Hamadeh en Maziar Afrassiabi leek het van wel. Soefi-wijsheden, literatuur.  waar zijn vader soms over sprak. Ik weet te weinig van die verhalen. Het is nog steeds de moeite waard om veel te lezen. In een tekst die we op een vorige door Rana georganiseerde bijeenkomst lazen, beschrijft de Marokkaanse schrijver en vertaler Abdelfattah Kiliro dat hij bij de Arabische literatuur altijd aan de Arabische jaartelling denkt, terwijl de moderne literatuur met de westerse jaartelling begint. Een les in op z’n kops denken en het waarnemen van anderen.

Ik herinner me een bezoekje aan Artis in de schemer. De apen gaan al slapen. Dan zie ik een prachtige kale boom. Perzisch IJzerhout. (Parrotioa persica) Wat een monsterlijk mooi ding. Het is vijf uur en al bijna donker. Zo’n dag vlak voor kerstmis als de winter net nog niet begonnen is. Achter de bomen en de huizen die het dierenpark omzomen daalt de zon. Het blijvend groen van de klimop, de dennen en de coniferen wordt glanst heel donker. Er liggen nog gekleurde bladeren op grind en klinkers. En in een hoek, vlak bij een paviljoen, die zwarte boom. Een stevige ronde stam met daaromheen een grote hoeveelheid stijf kronkelende zwarte takken, dik als stammen. Tentakels, slangen, een medusakapsel, edel en waardig.

Dat is wat ik graag beschrijven wil, dat wat je niet ziet. Omdat het niet overdag plaatsvindt, maar ’s nachts.
Dat wat ontsnapt aan een lens. Ontsnapt aan de helderheid van het verstand, terwijl we het allemaal kennen omdat het er is. En Route 5.

 

De tuinman en de dood

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in; ‘Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar ik zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ‘t cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ‘s morgens hier nog stil aan ‘t werk zag staan,
Die ‘k ‘s avonds halen moest in Ispahaan.’

Pieter Nicolaas van Eyck, 1926

top of page