5.

keppel_entre_entree_4_1024x1024
Beeld: Stephan Keppel, 2014 -Entre Entree

Vrijdag, 10 januari 2020

Als ik uit het raam kijk zie ik een merkwaardig schitterend beeld. De glimmend witte voorzijde van de gelige lange kale takken van de treurwilg tegen de achtergrond van de zwarte, elegant zwiepende takken van een hoge berk en enkele wat kleinere bomen. – De berk herken je aan de korte verbindingen en de knopjes die de schakels vormen, als dikke druppels. Het kleurenscala is zeer beperkt door het witte zonlicht dat rechts uit de hoek komt. Links een donkergrijze lucht. Donkere met pannen bekleedde daken, witgeschilderde houten balkonhekken en een kleurloze bakstenen muur. Je weet dat de stenen donkerrood zijn, meer niet.

Het regent niet en ik kan ook niet zeggen dat deze lucht een aankondiging van een bui zal zijn. Gisteren, gisteren ja, toen ik uit de sportschool kwam en de smalle straat in de Jordaan in liep, regende het volop. Een flinke bui. Tropisch, denk je dan. Hoewel je met de zeer zachte weersomstandigheden – twaalf graden, begin januari – nog lang niet aan een tropische hitte komt.

Meer dan andere jaren ben ik me bewust van de vreemde kleurintenties van deze wintermaand. De manier waarop het ongefilterde zonlicht de kleuren opzuigt in plaats van verheldert. Als de zon wel helder schijnt, op een ochtend een paar dagen geleden in Amsterdam Zuid, ben ik ook bang: De tuinen zijn mooi. De bomen kaal, de struiken groen, ook de prachtige buxushaag die op een verkeerd moment gesnoeid is. De ruige lage struiken vormen een contrast met de effen, knalblauwe lucht. Hoge luchtdruk, denk ik, terwijl ik de kale droogte vrees. Droog, effen, afgesleten, kaal. Ik voel het aan mijn huid als ik verder fiets. Ze tintelt.

Via de rode fietspaden breidt de stad zich verder uit. Het fietspad langs de drukke tweebaansweg wordt gebruikt als sluipweg. Het zijn de stads-tractoren van de jachthavengebruikers, en de voorraden van de bouwers. Daar, op het landje achter de gebouwen slaan ze hun bouwmaterialen op. Het plein afgezet met hekken en waarschuwingslinten. Het verkeer omgeleid om straks, als alles klaar is, een drukke weg te worden. De gevangenis een flat voor rijke studenten; de nieuwbouw voor een fase later als ze succesvolle gezinnen zijn; de oudbouw voor degenen die al heel lang op de lijst staan maar wel wat betalen kunnen; de wat oudere nieuwbouw voor de mensen met kantoorbanen en kinderen. Ze kopen hun meubels al lang niet meer bij de IKEA zoals de bedrijven doen die illegaal woningen aan toeristen verhuren. (Dat spul zet je gewoon op straat als je het met nieuwe matrassen en kasten voor kleding vervangen wilt!)

Ik fiets door de kale stad. Beschenen door dat griezelige witte licht en kijk naar de natte kerstbomen die hier en daar nog op een straathoek liggen. Nat en groen. Geen enkele droog. Alsof we inderdaad steeds beter weten wat we willen. Geen miezerige kleine boompjes die hun naalden verliezen, maar trotse, vette sparren, die zo vreselijk leuk voor de kinderen zijn. Het vuil hoopt zich op, hoe hard de mensen van de stadsreinigingsdiensten ook werken. Steeds weer nieuwe oude meubels, kartonnen dozen, ijzer dat verbogen en verroest is, kledingstukken, stinkend textiel, plastics, en dappere groene kerstbomen. Als je ze in de fik steekt, ruik nog steeds de hars. En Route 6.

top of page