74.

Marc Nagtzaam 21

Marc Nagtzaam,  Zeichnungen / An Index of Notes / Jpeg / Variable dimensions / 2019 – ongoing

Zondag 26 april 2020
Ring A10 Zuid / Ring A10 Noord: I.

Dan besluit ik naar de Ring te wandelen. Behoefte aan structuur. Twee en dertig kilometer lang lees ik ergens. Wandelen is een beetje verdwijnen. Ik loop eerst via de Scheldestraat naar de RAI en besluit vlak langs de beursgebouwen te lopen. Dat kan omdat de parkeerplaatsen leeg zijn en geeft een lekker gevoel. IK GROEI. Recht voor mij de reclametoren, gestapelde namen van bedrijven, met daar vlak achter het nieuwe gebouw, een hotel ontworpen door OMA. Ze liggen nu achter elkaar, de zilveren driehoekige blokken van het nieuwe gebouw, gestapeld en gedraaid en de driehoekige bedrijfsnamen, veel kleiner, ook gestapeld en gedraaid. Ik ben niet de eerste die deze overeenkomst zien.

Ik loop door tot aan de snelweg. Vlak bij het enorme gebouw. Het pleintje bij de entree is leeg. Op de achtergrond het gapende gat van het brede viaduct. Twee jongens oefenen met skateboards op het  lage muurtje voor de deur. Het muurtje heeft een glooiing.

Ik ken dit punt, een kruispunt, van spoorwegen en fietspaden die naar de Amstel lopen, en langs het Beatrixpark. De weg onder de snelweg door gaat naar Buitenveldert, een lange laan met aan weerszijde bomen, aan de linkerkant het Amstelpark en aan de rechter grote gebouwen. Maar ik steek over en loop rechtdoor. Mijn eerste stuk langs de snelweg, aan de binnenkant van de Ring. Ik wandel langs een opgespoten stuk grond, veel wit zand. Daar verrijzen nieuwe woningen. Hoge vierkante blokken, een betonnen skelet bekleedt met baksteen, fronten aan alle kanten die naar licht en uitzicht zoeken. Ze lijken zichzelf in de weg te staan en reikhalzen, hun balkons naar voren. Als ik mijn wandeling van vandaag bijna beëindigd heb, aan de andere kant van de stad, vlak bij IJburg, zal ik soortgelijke hoogbouw zien. Afgezoomd met een rij zelf vormgegeven, lage woningen die aan de voet van het hoge gebouwenblok vlak langs het water staan.

Het huizenblok wordt park, nog steeds aan de binnenkant van de Ringweg, neem ik een wandelpad in de richting van de Amstel. Het is er groen. Aan beide kanten ouderwetse lantaarnpalen, recht, een beetje conisch, met een rond glazen lamp gedeelte en daarboven op een ronde ijzeren hoed. Aan de linkerkant een begraafplaats. Heggen, een haag en coniferen. Om de brug over de Amstel en de snelweg te kunnen bereiken, moet ik naar rechts, naar de buitenkant van de ring. Ik ga onder de snelweg door (A10 Zuid), het water is er breed en donkergroen. Het kabbelt. Het beton is grijs en wit met hier en daar wat graffiti. Ik ga een klein stukje terug in de richting van het Amstelpark, daar waar het aan de Amstel grenst, loop over een smalle sloot en vindt vlak naast de brug waarover de snelweg en een spoorweg loopt een smalle trap die naar boven gaat. Daar vindt ik langs de snelweg een fietspad en een wandelpad. Op de brug schijnt de zon. De groene bomen aan de oevers van de Amstel ruisen.

Ik neem een ruime bocht en ben plotseling in de polder belandt. Er loopt een ventweg langs de snelweg en de velden. Hier is de manege van de politie gevestigd, weet ik. Ze was voorheen in het centrum gelegen, vlak bij ons huis. Soms kon je de paardenmest ruiken. Een plastic scheidingswand achter een bomenrand dempt het geluid van de snelweg die zodra een vertakking van de A10 zal zijn. Een dame met mooie kuiten loopt nét even voor. We zijn ongeveer van dezelfde leeftijd en hebben  geleerd dat je op wegen zonder voetpad links loopt om het verkeer tegemoet te treden zodat je anticiperen kunt. Aan mij rechterhand de polder. Ik loop in de richting van Amsterdam-Zuidoost. Er staan mensen aan de waterkant die foto’s nemen. De ganzen hebben pullen. Twee families zwemmen naast elkaar.

Ik hou van deze weg, een ventweg en een fietspad, een berm dan asfalt met steentjes. Soms kom ik hier als ik fiets. Het voelt ver weg. Bij het centrum vandaan. Wat zal er gebeuren als ik de A10 blijf volgen? De weg is nu een andere snelweg. Ik moet er overheen of er onderdoor. Verkeer. Het spoor. Aan de andere kant van de snelweg. De metro in de verte.

Eenmaal binnen de Ring is het straten patroon vierkant en recht. Het lijkt heel overzichtelijk, maar is dat eigenlijk niet. Daar staat dat grote lege gebouw van Ankestein, opvallend. De baksteen geel geglazuurd. Blauwe accenten. Ik weet dat wanneer ik de weg nu rechtuit volgen zou, ik bij de Metro uit zou komen, verderop dan mij lief is. Dus blijf ik in de buurt en loop het industriegebiedje in, vol loodsen en bedrijven. Ik loop langs een werf van het openbaar vervoer waar de bussen in grote getale in het gelid staan. Omdat ik in de verte een water zie, een kanaal, misschien de Weespervaart (die blijkt het niet te zijn), besluit ik een provisorisch pad te volgen. Het is een stuk rulle grond vlak langs het talud ban de snelweg, een wild stuk land, door zware vrachtwagens stuk gereden. Ik kijk naar de sporen van hun banden in de zwarte aarde op de grond. Het loopt langs de werf in de richting van het water. Geluiden worden gedempt. Je bent er vrij ver van de bewoonde wereld verwijderd. Het geluid wordt verzwolgen. Het is heel stil en voelt onveilig. Bij het water onder het viaduct van de snelweg zien ik enkele slaapzakken liggen. Aan de oever aan de overkant liggen woonboten. Er vaart een schip voorbij. Ik ga terug en volg de weg langs de GVBwerf in de richting van een metrostation. Daar ligt een brug over het water.

Het metro station is stil. De straten zijn van asfalt en recht. De populieren zijn oneindig hoog, vol ritselend blad. De wat dikkere zilverpopulieren staan er ook. De omgeving is een lappendeken van kleurrijke, maffe gebouwen, oranje stenen, zwarte daken, afgerond, vierkant, als een vliegende ruit (de geometrische figuur, niet het raam van glas). De stukken grond verschillend bewerkt. Sommigen leeg en droog. Sommigen vol gras en struiken. Goed verzorgd maar ontoegankelijk. Ze sluiten op rotondes aan. Rechte wegen, en dan – een Car Wash. Activiteit. Zwarte glimmende auto’s. De meeste heel duur. Sommige hoog als SUV’s, andere juist bijna plat, laag bij de grond. Tegenover de garage, het benzine station en de wasplaats, wat kleinere auto’s. De achterklep open. Mannen praten met elkaar.

De buurt is wat onwerkelijk. Rechte straten maar weinig structuur. Wel opgeruimd en plat. Hoge metrolijnen boven mijn hoofd, betonnen goten op witte steunpilaren; het knooppunt metro vervoer. Ik kijk naar boven en dan naar links en zie de vertrouwde aanblik, het verweerde, volgespoten plastic van de snelweg A10. Straks zal ik weer moeten kiezen of ik binnendoor of buitenlangs ga. De tunnel onder de snelweg door ziet er zo vreselijk aantrekkelijk uit, en ik kies voor buitenlangs. Het effect is verassend. Zodra ik de lage betegelde en volgespoten tunnel door ben, bevind ik me in het ruisend groen. Populieren en iepen, water, struiken en wilde begroeiing op het talud.

Eerst nog enkele flats die duidelijk beginnend Bijlmer zijn. Bejaardenflats. Galerijflats. Blauwe vlakken, balkons, ramen en relingen. Dan een steeds bredere, steeds gullere groenstrook. Lage huizen en tuinen die aan het water grenzen. De schaduwrijke groenstrook is stil en breed, eerst het plastic van de snelweg, het talud, dan een fietspad, dan het water, dan de tuinen, dan pas steen. De meidoorn bloeit en ruikt heel zoet. Er staat Stinkende Gauwe en nog veel meer. Ik zie het blauwe bord Duivendrecht staan, straks kom ik op dat prachtige punt waar de Weespertrekvaart en de Snelweg kruisen – ik kom er meestal langs als ik al fietsend naar Zuidoost ga – een van de mooiste knooppunten van water, viaducten en snelwegen die ik ken. Ook het water neemt hier een afslag.  Opnieuw besluit ik buitenom te gaan.

Weer een stuk weg dat wel ken van zien, maar verder nog nooit gelopen ben, bij Duivendrecht buitenom langs de snelweg. Meteen naast het talud van de snelweg loopt een fietspad, rood met een gestippelde middenstreep. Maar ik ga langs de huizen die aan het water liggen. Het zag er altijd zo jaloersmakend rustig, zo dorps, zo afgelegen uit. Nu ik er wandel valt het wel mee. Het stukje tot Diemen is kort. Ik zie wat kleine bedrijventerreinen, loop in Diemen over het gras en kan bij een blauw/witte ophaalbrug oversteken. Hier kwam ik vroeger heel vaak langs. Hier lag het Ajaxstadion (aan de andere kant van de snelweg, Watergraafsmeer, de binnenkant van de ring); hier was de weg richting Barneveld en later richting Muiderberg. (niet de plaatsen verschoven, mijn bestemming deed dit wel).

Ik steek de straat over en besluit via de straten langs lage jaren zestig flats te lopen. Ik vind ze mooi. Ze hebben mij altijd een gevoel van huiselijkheid en heimwee bezorgd. Ik zoek de snelweg weer op. Ook hier ligt langs de snelweg een prachtig pad. Een stukje wild langs het talud dat vanaf het pad eerst naar beneden loopt en dan naar boven naar de weg. Het pad is een dijk waaraan niet zo heel lang geleden nog gewerkt is. Een deel van de helling naar beneden bestaat uit zand, is amper begroeid, dan volgende de hoge bomen en de struiken, een kleine wildernis die tot aan de snelweg loopt. Zoals ik bij de Amstel een koekoek hoorde, hoor ik nu kleine watervogels. Ik zie een meerkoet met jongen en een fuut onderwater duiken. Hoge, hele hoge populieren, en ik bereik een hoek van Diemen waar weer galerijflats staan. De snelweg wijkt en ik moet een stuk spoorlijn volgen, waarlangs kleine tuintjes zijn aangelegd met anarchistische houten huisjes, geverfd, met leuzen en stofjes versierd. Het lijk idyllisch, maar ik weet dat zo’n heel klein beetje wildheid voor een toevallige flatbewoner een grote bedreiging kan zijn. Dat zie ik het trienstation van Diemen. Daar kan ik over het spoor.

Nu weer een gewetensvraag. Ik zie een bord – Diemerstraatweg Richting IJburg. De A10 wijkt aan mijn linkerhand. Ik kan haar volgen, maar weet dat er veel water komt. Daarom laat ik haar links liggen en neem ik de smalle laan door woonwoestijn Oud Diemen. Links en rechts dezelfde huizen van vreemde witte steen. (Een beetje Romeins, maar dan anders). De tuinen zijn met tegels belegd. Die tegels sluiten goed en zijn meestal zwart. Hoewel een beukenhaag mij het zicht ontneemt,  vermoedt ik dat alles bestraat is, op enkele bakken met planten na. Er zijn vlonders te zien en tuinmeubels, gasbarbecues en parasols. Alleen de heg en de bomen zijn groen, een dunnen laag dorp tussen stadse stenen. Dan volgt het Amsterdam-Rijnkanaal. De oversteek is eenvoudiger dan ik dacht. Ik loop zonder enige moeite direct tegen de voetgangers trap van Nesciobrug aan.

De Nesciobrug is een geschenk aan de wandelaars en fietsers van de stad. Een wonderlijk mooi ding. Geen snelheid nu, zoals op de fiets, maar een breed uitzicht daarvoor in de plaats. Het water links en rechts is prachtig, de werven, de stad. Ik kniel en strik mijn veters terwijl ik het uitzicht bestudeer. De brug veert op en neer onder mijn knieën.

 

Beneden bij de werven wordt gewerkt. Ik loop het opgespoten eiland op, eerst een klein stukje park, dan de brug naar Vrijburg waar kinderen in het water spelen. Aan mijn linkerhand de in plastic verpakte A 10, als een matte tuinslang over het water. Ik ga niet binnendoor langs de huizen van gestapeld glas maar buitenom langs het brede water naar de witte brug die het eiland met de stad verbindt, een fotogeniek exemplaar. Onder de brug pilaren, even mooi en wit als het bovenste stuk, een wit vlechtwerk van ijzer en pilaren. Enkele jongeren zitten op de fundamenten en picknicken. Ik neem de brug.

Toen ik hier de laatste keer was, was de vlakte nog kaal en opgespoten. Ergens lag het mooi vormgegeven benzinestation met op de achtergrond enkele grote ronde containers (gashouders, olieopslag?). Nu is ook hier nieuwbouw verrezen, een rijtje huizen lang het water door de bewoners zelf ontworpen, vierkanten met verschillende gevels. Daarachter de vierkante hoogbouw. Ook hier de ramen heel groot, ook hier transparante halrijkende balkons. Gestapelde aquaria. Een rots waar vogels nestelen. Ik denk aan de gierzwaluwen bij ons huis. De kleuren van de gebouwen komen met de kleuren van de koele interieurs overeen. Een beetje beige, zwart, een streepje bruin en wit. Er staat een kleuter bij de bank voor het raam. Achter het kind een flikkerend tv-scherm. Natuurlijk ben ik moe. Toch wil ik nog even verder. Zou ik van hieruit makkelijk naar Amsterdam Noord kunnen gaan. Ik kijk naar het brede water. Er varen vrachtschepen voorbij. Ik kan niet over de Oranje Sluizen, dat heeft J. niet zo heel lang geleden geprobeerd, en ga de hoek maar om naar de Schellingwoubrug. Aan de andere kant ligt Noord.

De snelweg gaat onder het water door. Ik speur naar de betonnen constructie die aangeeft dat de vierbaansweg daar glooiend de grond in duikt. Waar zal ik haar weer boven zien komen? Ik loop over de brug. Kijk naar de dijken en de polderdorpen, Durgerdam, Randsdorp, veel verder kom ik niet. Dan piept de A10 weer op. De verpakking verdwenen. Er staan nu bomen omheen. Ik loop langs de tweebaansweg door het groen. Ga nu niet de zure velden in op weg naar Marken, maar volg de weg tot aan het IJplein. Daar buig ik af. Ik ga naar huis. Het laatste stuk zal ik de metro nemen. Het is een fijne rit onder het Centraal Station door. Ik stap uit op het Rokin om een allerlaatste keer van de stille stad te genieten. En Route 75.

 

EN ROUTE is een experiment waarin herhaling centraal staat. Het is een onderzoek naar de flexibiliteit van taal en de flexibiliteit van de waarneming. Hoe komen schrijven en (voort)bewegen samen als je steeds dezelfde routes neemt? index

 

 

top of page